Categorieën
Column

Bankontmoeting (2)

Banken. Ze lenen zich niet alleen om op te zitten, om even uit te rusten of te genieten van de omgeving. Neen, ze nodigen ook uit tot een praatje, mits er een praatgenoot ook op de bank plaatsneemt. En nodigt ook uit tot terugkijken, terugdenken, naar indertied. Dus was het een geval van toeval dat ik, gezeten op een bankje nabij dat hele hoge gebouw met toren aan de Riekswèèg, aangesproken werd door een terugkijker en dito prater? Ik denk het niet.

Het was alsof het zo moest zijn. De bank, de kerk en dat praatje. Over indertied. Toen de kermisprocessie nog volle straten trok, de straten nog volledig versierd werden en bovenal, honderden deelnemers.

Dat kermisprocessiebeeld van indertied is mijn bank- en tijdelijke gesprekspartner, zo blijkt, nog altijd bijgebleven. En zeker ook het nogal troebele beeld, dat hij ooit, na een eerste van verschillende kermisnachtjes, dat van de zaterdag op de zondag, op kermiszondag al om 06.00 uur – des ochtends! – uit de veren geroepen werd door vrouwlief omdat de straat versierd moest worden, want de processie zou die kermiszondag de straat aandoen. En dat hem, nog razelend van de eerder genoten spiritualiën, een grote voeshamer in de handen gedrukt werd waarmee hij de vlaggenpaaltjes in de grond moest hameren. Die zware hamer op zich was niet het probleem, wel het feit dat de straatgenoot die het vlaggenpaaltje vasthield, zijn handen direct onder de top van dat paaltje hield om het paaltje recht te houden, zonder daarbij rekening te houden met de razelende toestand waarin hij, de voeshamerhanteerder, verkeerde en de ook best wel wazige blik waarmee diezelfde hanteerder, naar de top van het paaltje keek.

Wanneer hij weer opstaat om verder te wandelen, merk ik dat hij er nog steeds beduusd van is dat hij de indertiedse vlaggenpaaltjesvasthouder, de hele, lange straat lang, niet op zijn handen of vingers geslagen heeft…

Categorieën
Column

Bankontmoeting (1)

Op een eenzaam bankje, ver van de bewoonde wereld, ga ik – voor een rustmoment tijdens een mijner wandelingen – even lekker zitten. Vogels twinkelen en twierelen in de haag achter mij en ik luister genietend, met gesloten ogen.

Die heerlijke rust, wordt plotseling verstoord door de stem van een oude bekende, net als ik, op leeftijd. Of hij naast mij mag komen zitten? Tjah, wie ben ik om hem dat te verbieden? En wat gebeurt? Een gesprek volgt. Een gesprek over indertied, toen wij samen deel uitmaakten van het illustere vierde elftal van de VV Berg ’28.

’t Veerde, in de volksmond. En al gauw komen we te praten over die ene speciale, die multifunctionele voorhoedespeler. Linksbuiten, spits, rechtsbuiten. linksbinnen, midvoor of rechtsbinnen als het moest. Maar nooit geposteerd in de achterhoede. Eigenlijk het liefst nog vóór onze eigen voorhoede, zodat hij maar geen gevaar in de eigen achterhoede zou stichten.

We zien hem allebei weer dartelen, dribbelen en huppelen over het veld, links, rechts, voor, achter, neen vooral voor ons. Hij liep en rende feitelijk altijd daar waar onze tactiek hem niet verwachtte. En zijn teamgenoten hem ook niet…

Hij, onze rocker, bluesfanaat. steevast aan komen brommend op zijn Zündapp, steevast net op tijd, om half elf bij de vertrekplaats nabij de telefooncel aan de Geulhemmerweg of om half twaalf bij de thuiswedstrijden op de Wippertse Heide.

Die ongekamde, steeds dunner wordende haardos, zijn bijna altijd aanwezige sjekkie en altijd die lach, die aanstekelijke lach die hij deelde met die andere legende, zijn lengtegenoot.

We zien hem opnieuw juichen toen hij zijn eerste – en naar later bleek, ook enige – doelpunt voor ’t Veerde scoorde. Vanaf de linkerpunt van het strafschopgebied, subtiel buitenkantje rechts (zijn specialiteit) onder de vergeefs schuivende keeper van Bunde 5 door. De bal net binnen de palen, net over de doellijn. Mijn bankgenoot en ik zijn het erover eens dat we zeker tien minuten nodig hebben gehad om hem toen te vangen, zo gek was hij door het dolle.

En ja, na de wedstrijd uiteraard – heel ludiek – handtekeningen uitdelen. Ik weet dat hij in 2018 jammer genoeg zijn leven verloor bij een ernstig verkeersongeluk. Dat wist mijn verraste gesprekspartner dan weer niet.

We vallen allebei stil en zien hem weer rennen, slingeren, dribbelen, passeren (passeren?) en na de wedstrijd… zijn sjekkie rollen.

Categorieën
Column

Bont

Je kunt het zo bont niet maken of ergens zitten er nog meer kleurtjes aan, zo luidt mijn variatie op een spreekwoord dat onlangs wel heel erg toepasselijk was. Een bont allegaartje. Variërend van gasten die indertied bewonderd werden in kinderwagen of wieg tot de indertiedse bewonderaars van de inhoud van die kinderwagen of wieg. Een hele lading generaties zocht en vond een weg door het bonte gezelschap dat staand, hangend, zittend, nippend, drinkend en pratend, ja, vooral pratend, luid pratend, de zingende kwaliteiten van digitale zangers en zangeressen naar de achtergrond drukte.

Van een feest van herkenning en soms ook weer niet, tot verbale, informatieve sessies en dat onder het genot van een wit gekraagd drankje of een droge witte. Daartussen de diehardse bobs en andere soorten van avondlijke geheelonthouders. Aldus creërend een bont tafereel van vriendschap, vriendelijk- en gezelligheid. Met op het etiket: ‘Zelf gekweekt.’

Staand en zittend achter mijn ronde uitzichtplek, een gecamoufleerde stehtisch waaraan ik ook kon sitzen, overschouwde ik het bonte geheel en genoot. De feestelingen genoten nog harder en ik bedacht ter zittende plekke, dat als de wereld er zo uitzag zoals hij deze bonte avond voluit straalde, er nergens meer oorlog was, alleen maar gezellige, vredige vooral bonte vrede.

Zou die niet te creëren zijn? Zo’n bonte vrede? Met drinken, zingen, praten en lachen. Veel lachen. Wat zou de wereld er mooi van worden. Mooi gaan uitzien. Dan zouden geen regeringen meer nodig zijn, geen geldverslindende en vooral dodelijke oorlogsmachinerieën. Alleen maar lang leve de lol en ja, af en toe een dagje werken voor wat pecunia voor de jongeren en de ouderen verder rusten op hun welverdiende lauweren, met behoud van pensioen en AOW. En verder, drinken, zingen, eten, praten en lachen. Veel lachen.

De aarde één bonte, vette smiley. Ik zag hem in gedachte al hangen, de aarde als lachende portier van de ruimtelijke Melkweg. Een brede uitnodigende lach, over de hele bolle breedte van die blauwe bol, de aarde. Ik werd er verdomd nog vrolijker van. Zo laat op de avond. Of vroeg in de nacht.

“Hee vrolijke ober, doe mij nog een colaatje, van de lightse soort. En schenk de rest van het bonte allegaartje ook nog maar eens in. Gaan we verder met lachen. En praten. En zingen. En dansen.”

Jammer dat er ietsjes later dan zoiets is als een sluitingsuur…

Categorieën
Column

Evolutietheorie

De dagen lengen nog steeds in de avond. Met dank aan het eind maart vooruitgeschoven uur. Merels en lijsters zingen de boorden van het dak. Ik wandel door de straat, geniet zwijgend in de avondval. Een natuurse symfonie van the rocking birds boeit mij enorm. Ik zoek en vind de solisten, op de hoogste treden van de podia, als je bomentoppen zo mag noemen. De merel zingt een ietsje lijzig, een gevleugelde Adèle, althans zo lijk ik hem te horen. De lijster is dan weer wat kwieker, heeft een breder repertoire. Hipt af en toe van boom naar boom, balancerend op een balk van noten. Althans, zo wil ik het avondtafereeltje zien.

Maar het zijn niet alleen de merel en de lijster, het is een aardig gemengd vogelkoor. Mijn oren maken, al wandelend, best wel drukke tijden door. Een tweebenige tegemoetkomer bekijkt mij wantrouwig. Wat moet een kale krullenbol, in joggingbroek én op slippers, nog buiten na de bijna-zonneval? Zo zie ik hem denken. Ik knik hem goedenavond, hij zet een pas opzij. Heeft hij schrik of geen oor voor de hooggezeten straatse muzikanten? Hij moest eens weten hoe zeer ik geniet van al die concertante zang.

Ik bereik het einde van de straat en keer om. Ik hoor de straatmuzikanten nu van de andere kant. Eigenlijk, héél eigenlijk zouden er ook nog ballerinase vogeltjes moeten zijn die op de tonen van die muziek een spontaan straatballet zouden doen. Een show voor oog en oor. Het zou mij niets verbazen wanneer de vogels op enig moment, ver in de toekomst zouden evolueren tot volwaardige straatartiesten met een dans- én zingend repertoire. Goh, wat zou ik dat nog graag mee willen maken. Mijn eigen evolutietheorie. Ik moet zelfs glimlachen om mijn waanidee.

Ik keer weer terug op aarde. De westelijke einder kleurt, blauw grijst en neigt naar zwart. De muzikanten pakken langzaam hun avondrepertoire in en gaan weldra onder zeil. Ik wandel mijn woonst binnen en loop gelijk door naar de binnentuin. Om ook daar nog een voorzichtig blikje te werpen, nu ook de avondtemperatuur langzaam stijgt.

Een kleine, pimpelende mees, op twee pootjes staand op het nestkastje aan de boom tegenover de woonkamer zingt luid zijn – zo lijkt het – protestlied. Is hij de bewoner van de nestkast? Ik weet het zeker wanneer ik de kast, zijn thuis, te dicht nader. Zijn zang wordt harder, hij maakt zich groot. Begint te grombelen, zoals ik dat ook weleens doe. Vandaar dat ik hem begrijp. Ik zet twee passen achteruit, zijn protest zwakt af en helemaal wanneer ik de deur achter mij sluit. Als een duveltje springt hij in het houten doosje dat ik dus nestkast noemt. Het protesterend zangertje heeft zich in mijn gedachte al een naam verworven. Armand, de lang- en roodharige protestzanger van indertied.… Alleen, de haarkleur van de pimpelmees doet (nog) niet mee…

Maar als het aan mijn evolutietheorie ligt, dan dan… krijgt de pimpelmees een vuurrood, langverig koppie.

Categorieën
Column

Hemels

Deze morgen is er een van stilte, heuse stilte. Geen vliegend of auto’s lawaai. Geen gegil van fietsende kinderen. Geen geschreeuw van liefhebbende ouders. Echt, onnatuurlijke, zelfs bijna onmenselijke stilte. Kauwend op een hap bruin, lekker brood denk ik terug te keren naar mijn jeugd, heel, heel lang geleden. Eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Toen er maar een of twee auto’s per dag door de straat kwamen. Een enkel Solexje de rust verstoorde, de ringringdeurbel liet weten dat de melkboer of bakker zijn waren, heel handig, kwam aanprijzen en/of leveren en misschien wel het allerspannendste in het dorp, het gebeier van de klok op ieder half of heel uur. En zelfs dat luidend geluid was – door de oorse gewenning – eigenlijk onbewust al onderdeel van de dagelijkse stilte.

Kauwend op weer een stukje ham (ik lust nog steeds geen boter) denk ik opeens het roerende geluid van de toen moderne wasmachine te horen. Die machine, in die tijd een groot, vierpotig gevaarte met een heen-en-weerdraaiende molen in het midden met klotsend waswater soms over de rand en op die rand, héél modern, een heuse handmatig draaiende wringer. Ik ruik opeens het wassop en krijg spontaan een niesaanval wanneer ik het poeder de binnenkant van mijn neus denk te voelen kietelen.

Kijkend door het keukenraam denk ik de was, aangelijnd hangend te zien terwijl de maandagzon indertied gratis de droogte verzorgde en soms de paniek wanneer een regenbui het bijna droge van de was dreigde te vernietigen. Later kwam de centrifuge naast de wasmachine te staan. De centrifuge, die het overtollige water via een afvoer die – boven het pötsje in de sjtál gemanoeuvreerd – zorgde dat het water afgevoerd werd. De pot in het pötsje moest dan wel om de zoveel tijd leeggemaakt worden want er bleef nogal wat pluizig afvalwaswatermiddel, of zoiets, achter in die pot enne… die centrifuge vooral niet leeg laten draaien, hij kon weleens op hol slaan.

Het heeft wel iets, zo terugdenken aan die vroegvroegere jaren, toen je nog op straat kon spelen, voetballen, tollen, met een hak van de schoen een kuulke maken in de grond tussen de tuin en de sjtóp en dan gezellig (gezellig als je tien knikkers verloren had???) te huuve of trefbal te spelen met de vriendjes en vriendinnetjes uit de straat of van net om de hoek.

Waar zijn ze gebleven? Die spellen en spelletjes? Hinkelen op en in een zelf gekrijt hinkfiguur met bovenaan, op tien, de hemel. Met je eigen, wonderbaarlijk gladde steen die, natgemaakt of -gelikt met eigen speeksel zorgde dat hij nog beter gleed, althans, dat werd gedacht. Of héél stiekem, wanneer tijdens het voetbalspel, de bal niet binnen de boorden van de straat bleef maar terechtkwam in de trotse voortuin van één of meerdere straatbewoners. Ik hoor het dreigende geklop op het woonkamerraam gevolgd door vermanende vingers weer in mijn oren. Want tulpen, afrikaantjes en lupines (bestaan die nog?) waren de jaloersmakende schat van menig bewoner. Kom daar nu nog eens voor…

Een luid toeterende vrachtwagen gevolgd door het krijsen van piepende remmen brengt mij en mijn gedachten weer keihard terug op de hedendaagse, luide aarde. Helemaal weg is de stilte… Zou het vroeger van nu indertied toch een soort van hemel zijn (geweest)?

Categorieën
Column

Afval

Best wel vaak, zeker wanneer ik de bergen afvalzakken zie staan, liggen en tegenwoordig ook hangen, vraag ik mij af hoe het kan dat we vroeger gewoon met één vuilnisbak, zo’n grijze zinken drekbak, toekwamen. Een keer per week kwamen de drekluuj langs om die bak in de grote, in mijn vroegjeugdige jaren, monstrueuze drekwagel leeg te gooien om vervolgens door te rijden en te lopen naar de buren of overburen om ook daar die drekbak leeg te gooien in de vuilnisauto.

Eén vuilnisbak per week! Oké, mocht het nodig zijn, dan werd het afval dat niet in de bak paste naar het stort, eerst aan de Klein Heideweg en later aan de Langen Akker, gebracht. Meestal op zaterdag of bij echt dringende noodzaak, op woensdagmiddag, want dan waren we vrij van school. Maar dat was slechts sporadisch.

Wanneer ik de tegenwoordige afvalbergen zie, rijzen mij soms de haren (haren? heb ik haren?) te berge, bijna even hoog als de afvalbergen. Alsof iedere week de hele inboedel van een huis, inclusief de koelkastrestanten, weggegooid worden. Afval, in restzakken, groenbakken en tegenwoordig dus ook pmd-zakken. En dat afval wordt ook nog op verschillende dagen opgehaald. Kun je je voorstellen wanneer al dat afval één keer per week opgehaald zou worden? Voorstellen hoe hoog die afvalbergen dan zouden zijn?

Is het de tegenwoordige consumptiemaatschappij die voor al dat afval zorgt? Hoe werd dan indertied alles verpakt? Of kwam dat omdat we toen allerlei soorten winkels dichtbij hadden? Dat je, als het moest, dagelijks verse waren gingen halen. In de kalbas, groot en… herbruikbaar of in de grote, ook herbruikbare rotan mand met dito hengel. En dat toen die drekbak gevuld werd met materiaal dat echt niet meer te herbruiken was. Of was het een soort van indertiedse zuinigheid met vlijt?

Ik wilde voorstellen om die ouderwetse (tegenwoordig heet dat ‘vintage’) drekbak weer terug in het hedendaagse straatbeeld te brengen maar realiseerde me gelijk dat ik dan iets nog veel ernstigers zou creëren. Nog hogere, maar dan illegale afvalbergen… met aan de voet, de fabrikanten. Toch?

Categorieën
Column

Vrijheid

Mijn trein spoedt zich vanuit Utrecht naar Maastricht maar wordt onderweg opeens gehinderd door een langzaamaanactie van een stoptrein die niet echt door wil rijden. Hinderlijk maar, met de onmogelijkheid tot passeren, is het even (even?) niet anders. De reiziger moet er mee leven en vooral mee reizen.

De zon waaiert nog altijd stralen over het Brabantse land. In de coupé wordt gezellig, ongedwongen en vooral veel gekeuveld. Ik vind het nog steeds onvoorstelbaar dat mensen een hele treinreis hun mond zo verbaal kunnen roeren zonder daarbij een kaakbreuk op te lopen.
Orale mishandeling van stiltegenieters, denk ik in stilte.

Peuterreizigers, samen met oma en opa op reis, gillen om het hardst om persoonlijke aandacht. Mijn geest raakt geprikkeld en onbewust wordt een column geboren.

Een trein die ongehinderd koers zet naar Maastricht. Hoeveel van de reizende volwassenen in deze trein zouden op dit moment beseffen dat zij, in alle rust en vrijheid, deze reis kunnen ondernemen? Zonder streng en starend in de loop van een geweer, aangesproken te worden om de noodzakelijke papieren te laten zien. Zonder dreigende taal, uitgesproken door een of andere buitenlandse militair die een uur in de wind uit zijn mond naar Zwiebeln stinkt? Waarschijnlijk eentje…

Een zware koffer dondert om, veroorzaakt een plotse, harde knal. De verbale geluiden verstommen, maar gaan dan ras weer verder. De trein zoekt zich rammelend en schurend een weg door de schijnbaar krullende brij van stalen rails en vindt uiteindelijk een tijdelijke stopplaats in Eindhoven. De stoet in de coupé zet zich in beweging, richting de uitgang. Daarbij niet dwingend en porrend geholpen door een gewapende Soldat uit een vijandelijk land.

Het zijn die gedachten en constateringen die mijn hoofd binnendwarrelen zoals deze rond 4 en 5 mei altijd aanwezig zijn. Net zoals mijn vingers, die deze gedachten in woorden toevertrouwen aan een schermpje dat ik op toetsende wijze en vooral in vrijheid vul.

Vrijheid. Voor mij het uiten van mijn gedachten, in woord en gebaar. Op scherm, op papier. Zonder dat daarbij dreigend en controlerend wordt meegelezen. Vrijheid is voor mij ook: het verbinden van gedachten en gevoelens zonder een wapen tegen mijn hoofd. Vrijheid is vrij zijn, vrij in doen en laten. Met inachtneming van de wetten die ooit op een democratische wijze tot stand zijn gekomen en die niet zijn opgelegd door een narcist, tiran of dictator. Al dan niet getooid met Schnurrbart…

Met deze constatering druk ik mij ontspannen en tevreden in mijn treinse hoekje en heb alle vertrouwen in de machinist dat die mij netjes gaat brengen naar ‘het eindstation van deze trein’, zoals de vredige omroeper het normaliter placht om te roepen…

Categorieën
Column

Koninginnedag

27 april. Tegenwoordig Koningsdag, indertied, toen ik nog een héél jong menneke was en mijn verstand bijna dagelijks opgevijzeld werd in de 3e klas van de lagere school aan de Rijksweg in Vilt, de jaarlijkse Koninginnedag die toen gevierd werd op 30 april.

Die bewuste Koninginnedag, werd er op het sportcomplex van de RKVV Vilt een sportdag gehouden, met medewerking en deelneming van alle leerlingen. Iedere klas had een eigen uitdaging en die van de ‘mannen’ van klas 3 was die middag, zaklopen.

Zoals te doen gebruikelijk bij zulk een – ook toen al – inspannende activiteit was het de bedoeling dat je zo snel mogelijk vanaf de start bij de finish moest geraken. Wij, deelnemers, moesten onze onderdanen (benen) hullen in een jutezak en na het startschot dan al huppelend richting finish eh… huppelen, want lopen in zo’n zak kon je niet echt zaklopen noemen, eerder zakhuppelen.

Omdat ik ook deelnam, werd dat dus ook van mij verlangd en dus huppelde ik, na het startschot, heel fanatiek voorwaarts. Totdat mijn huppelen onderbroken werd door een voorwaartse val en ik derhalve kennis maakte met het gekortwiekte gras en de zich daaronder bevindende aarde van het sportcomplex van de RKVV Vilt. Ik worstelde mij in mijn zak weer rechtop en huppelde weer vrolijk (vrolijk?) verder. Tot aan de finish. En niet veel later werden de prijzen bekendgemaakt. Tot mijn – nu nog steeds – stomme verbazing won ik de 2e prijs in mijn categorie. Een tablet chocolade van toen, in mijn jeugdige ogen, ongekende afmetingen.

Naast de verbazing was ik ook nog trots op mijn prestatie en ik nam mij voor om die prijs te bewaren tot thuis. Om die aan mijn ouders te laten zien en te delen met mijn broertjes en zusjes.

Na de sportieve prestaties wachtte een film op ons in café D’n Turk. De zaal van dat café was al gauw gevuld met heel veel leerlingen en het werd er best wel warm. Waar de film over ging, is gewist uit mijn herinnering, wat ik wel nog weet was dat het een zwartwitfilm was. Ik koesterde de tablet chocolade in mijn handen maar merkte ook dat die lekkernij steeds zachter werd. Goede raad was toen ook al niet duur en om te voorkomen dat de tablet helemaal zou smelten maakte ik de verpakking los en brak een stuk chocolade af en at dit op. Niet veel later nog een stuk en uiteindelijk, niet echt veel later, had ik alleen nog de lege verpakking in mijn handen.

Thuis vertelde ik later die middag dat ik de tweede prijs gewonnen had en dat ik die prijs, genoodzaakt door het smeltproces, had moeten opeten. Of mijn broertjes en zusjes dit geloofden is ook uit mijn geheugen gewist. Maar het was wel zo.

Overigens, ik heb nooit meer een prijs gewonnen tijdens een Koninginnedag. Trouwens ook niet tijdens een latere Koningsdag…

Categorieën
Column

Schoolherinnering (2)

Ja, die iedere vrijdag. Dan wandelden wij des morgens steevast en weer en groupe, naar het, inmiddels verdwenen Sportfondsenbad en kregen daar twee natte uren zwemles. Echter, die lessen waren niet aan mij besteed, want mijn lijf herbergde in die Maastrichtse lagere schooljaren een soort van ernstige watervrees, opgelopen ergens bij een glij- en valpartij in mijn nog jongere jeugdjaren. In een toen vooral stinkende Geul.

Vaak heb ik vanaf het droge staan toekijken, wanneer ik weer eens de kont tegen de krib gooide en weigerde om bepaalde zwemoefeningen te doen. Dan werd ik naar de kant en vaak ook naar een hoek gedirigeerd om vandaar de oefeningen te volgen van mijn medeklasgenoten.
In mijn dienstplichtige jaren heeft die watervrees en/of weigerachtigheid mij menig uur nachtrust gekost omdat ik toen, als marineman, verplicht was een zwembrevet te halen. En die verplichte zwemlessen waren – wanneer ik geen wacht hoefde te lopen – telkens om 06.00 uur. Des morgens, hè!

Maar terug naar klas 5B/6B. We hadden in die jaren ook nog twee keer per week gymles. Op de speelplaats. Dat was een langgerekte plek tussen het hoge schoolgebouw en een iets lagere schoolmuur. Met regelmaat speelden wij ‘kastie’. Of dat spel nog gespeeld wordt of bij de lezers nog bekend is? Dat weet ik niet. Een tennisbal werd door de speler van dienst iets omhoog gegooid en diezelfde speler moest vervolgens de bal dan met een plank(je) zover mogelijk wegslaan. Heel vaak ging dat goed, minder vaak ging het mis en héél soms verliet het plankje de hand van de speler, stuiterde de bal gewoon op de grond maar sjeigelde het plankje als een reusachtig scheermes op kniehoogte door het vangveld c.q. over de speelplaats. Dan was het voor de potentiële vangers (van de bal!!) duiken om die sjeigelende plank te ontwijken.

Dat wij indertied door al dat sporten een geweldige conditie hadden, stond toen en staat nu nog steeds, buiten kijf. Sporten was toen heel belangrijk, zeker bij de toenmalige onderwijzers c.q. broeders, die dat woord hoog in het vaandel hadden staan.

Kom daar tegenwoordig nog eens voor… Sporten als les.

Categorieën
Column

Schoolherinnering (1)

Na het ontdekken van het getuigschrift voor goed gedrag en vlijt keerden – zoals ik al in de vorige column schreef – mijn gedachten weer terug naar mijn lagere schooltijd in het Maastrichtse. Mijn ouders vonden dat ik slimmer zou worden wanneer ik mijn lagere schooltijd vanaf de vijfde klas in Maastricht zou vervolgen. Of dat ook het geval is laat ik aan anderen over…

In ieder geval, na de zomervakantie van 1965, vervolgde ik dus mijn basiseducatie in de Sint Jozefschool in de Wycker Grachtstraat in Maastricht. Van maandag tot en met vrijdag ging ik met de bus, later zelfs met een aparte schoolbus van ‘De Valk’ naar Maastricht. Stipt om 07.40 uur vertrok de bus vanaf de kerk. Stipt om 16.10 uur vertrok de bus vanaf de sjtasie weer richting Berg. Dat was dan altijd hollen vanaf de school naar de sjtasie want de school ging om 16.00 uur uit en 10 minuten waren ook toen toch maar 600 seconden. En die waren zo voorbij. Dus, rennen…

Maar op die Sint Jozefschool vermaakte ik mij, als klein en vooral fanatiek sportmenneke, opperbest. Tijdens het ochtendspeelkwartier voetbalden wij tussen de geparkeerde auto’s in de Wycker Grachtstraat nadat wij aan het begin en einde van die straat een groot hek met een, voor auto’s bestemd, inrijverbodsbord hadden geplaatst. Er werd vervolgens om iedere bal gestreden en gelukkig konden de geparkeerde auto’s in die straat toen nog een stootje en een hard geschoten bal verdragen. Soms verdween de bal onder zo’n verdraagzame auto en dan was het zaak om die geklemde bal weer onder die auto vandaan te halen. Dat er menige broek daardoor bevlekt raakte, ach… dat was een zorg voor later, lees: een zorg voor mama.

Tussen de middag togen wij vanaf de school, netjes in de rij, twee aan twee, richting de ‘Griend’ om aldaar een flink balletje te trappen. Op twee hoopjes gegooide jassen aan de ene kant – aan de andere kant stonden twee stevige, ijzeren paaltjes – vormden samen de twee doelen. En hup, voetballen maar. Bijna op leven en dood, nou ja… soms. Want het was steeds klas 5A tegen 5B, een jaar later, uiteraard en logisch, klas 6A tegen 6B en indertied was de voetbalrivaliteit tussen die klassen enorm. Dat er af en toe vergeten werd om met de voeten te ballen en de gebalde vuisten het overnamen, ach, het hoorde gewoon bij het groter en ouder worden. De bloedneuzen trouwens ook.

En dan was er ook nog een sportieve, uiterst natte activiteit op vrijdagmorgen. Eentje waar ik indertied en nu nog steeds, een bloedhekel aan had en heb. Maar daarover meer… Volgende week.