Categorieën
Column

Evolutietheorie

De dagen lengen nog steeds in de avond. Met dank aan het eind maart vooruitgeschoven uur. Merels en lijsters zingen de boorden van het dak. Ik wandel door de straat, geniet zwijgend in de avondval. Een natuurse symfonie van the rocking birds boeit mij enorm. Ik zoek en vind de solisten, op de hoogste treden van de podia, als je bomentoppen zo mag noemen. De merel zingt een ietsje lijzig, een gevleugelde Adèle, althans zo lijk ik hem te horen. De lijster is dan weer wat kwieker, heeft een breder repertoire. Hipt af en toe van boom naar boom, balancerend op een balk van noten. Althans, zo wil ik het avondtafereeltje zien.

Maar het zijn niet alleen de merel en de lijster, het is een aardig gemengd vogelkoor. Mijn oren maken, al wandelend, best wel drukke tijden door. Een tweebenige tegemoetkomer bekijkt mij wantrouwig. Wat moet een kale krullenbol, in joggingbroek én op slippers, nog buiten na de bijna-zonneval? Zo zie ik hem denken. Ik knik hem goedenavond, hij zet een pas opzij. Heeft hij schrik of geen oor voor de hooggezeten straatse muzikanten? Hij moest eens weten hoe zeer ik geniet van al die concertante zang.

Ik bereik het einde van de straat en keer om. Ik hoor de straatmuzikanten nu van de andere kant. Eigenlijk, héél eigenlijk zouden er ook nog ballerinase vogeltjes moeten zijn die op de tonen van die muziek een spontaan straatballet zouden doen. Een show voor oog en oor. Het zou mij niets verbazen wanneer de vogels op enig moment, ver in de toekomst zouden evolueren tot volwaardige straatartiesten met een dans- én zingend repertoire. Goh, wat zou ik dat nog graag mee willen maken. Mijn eigen evolutietheorie. Ik moet zelfs glimlachen om mijn waanidee.

Ik keer weer terug op aarde. De westelijke einder kleurt, blauw grijst en neigt naar zwart. De muzikanten pakken langzaam hun avondrepertoire in en gaan weldra onder zeil. Ik wandel mijn woonst binnen en loop gelijk door naar de binnentuin. Om ook daar nog een voorzichtig blikje te werpen, nu ook de avondtemperatuur langzaam stijgt.

Een kleine, pimpelende mees, op twee pootjes staand op het nestkastje aan de boom tegenover de woonkamer zingt luid zijn – zo lijkt het – protestlied. Is hij de bewoner van de nestkast? Ik weet het zeker wanneer ik de kast, zijn thuis, te dicht nader. Zijn zang wordt harder, hij maakt zich groot. Begint te grombelen, zoals ik dat ook weleens doe. Vandaar dat ik hem begrijp. Ik zet twee passen achteruit, zijn protest zwakt af en helemaal wanneer ik de deur achter mij sluit. Als een duveltje springt hij in het houten doosje dat ik dus nestkast noemt. Het protesterend zangertje heeft zich in mijn gedachte al een naam verworven. Armand, de lang- en roodharige protestzanger van indertied.… Alleen, de haarkleur van de pimpelmees doet (nog) niet mee…

Maar als het aan mijn evolutietheorie ligt, dan dan… krijgt de pimpelmees een vuurrood, langverig koppie.

Categorieën
Column

Hemels

Deze morgen is er een van stilte, heuse stilte. Geen vliegend of auto’s lawaai. Geen gegil van fietsende kinderen. Geen geschreeuw van liefhebbende ouders. Echt, onnatuurlijke, zelfs bijna onmenselijke stilte. Kauwend op een hap bruin, lekker brood denk ik terug te keren naar mijn jeugd, heel, heel lang geleden. Eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Toen er maar een of twee auto’s per dag door de straat kwamen. Een enkel Solexje de rust verstoorde, de ringringdeurbel liet weten dat de melkboer of bakker zijn waren, heel handig, kwam aanprijzen en/of leveren en misschien wel het allerspannendste in het dorp, het gebeier van de klok op ieder half of heel uur. En zelfs dat luidend geluid was – door de oorse gewenning – eigenlijk onbewust al onderdeel van de dagelijkse stilte.

Kauwend op weer een stukje ham (ik lust nog steeds geen boter) denk ik opeens het roerende geluid van de toen moderne wasmachine te horen. Die machine, in die tijd een groot, vierpotig gevaarte met een heen-en-weerdraaiende molen in het midden met klotsend waswater soms over de rand en op die rand, héél modern, een heuse handmatig draaiende wringer. Ik ruik opeens het wassop en krijg spontaan een niesaanval wanneer ik het poeder de binnenkant van mijn neus denk te voelen kietelen.

Kijkend door het keukenraam denk ik de was, aangelijnd hangend te zien terwijl de maandagzon indertied gratis de droogte verzorgde en soms de paniek wanneer een regenbui het bijna droge van de was dreigde te vernietigen. Later kwam de centrifuge naast de wasmachine te staan. De centrifuge, die het overtollige water via een afvoer die – boven het pötsje in de sjtál gemanoeuvreerd – zorgde dat het water afgevoerd werd. De pot in het pötsje moest dan wel om de zoveel tijd leeggemaakt worden want er bleef nogal wat pluizig afvalwaswatermiddel, of zoiets, achter in die pot enne… die centrifuge vooral niet leeg laten draaien, hij kon weleens op hol slaan.

Het heeft wel iets, zo terugdenken aan die vroegvroegere jaren, toen je nog op straat kon spelen, voetballen, tollen, met een hak van de schoen een kuulke maken in de grond tussen de tuin en de sjtóp en dan gezellig (gezellig als je tien knikkers verloren had???) te huuve of trefbal te spelen met de vriendjes en vriendinnetjes uit de straat of van net om de hoek.

Waar zijn ze gebleven? Die spellen en spelletjes? Hinkelen op en in een zelf gekrijt hinkfiguur met bovenaan, op tien, de hemel. Met je eigen, wonderbaarlijk gladde steen die, natgemaakt of -gelikt met eigen speeksel zorgde dat hij nog beter gleed, althans, dat werd gedacht. Of héél stiekem, wanneer tijdens het voetbalspel, de bal niet binnen de boorden van de straat bleef maar terechtkwam in de trotse voortuin van één of meerdere straatbewoners. Ik hoor het dreigende geklop op het woonkamerraam gevolgd door vermanende vingers weer in mijn oren. Want tulpen, afrikaantjes en lupines (bestaan die nog?) waren de jaloersmakende schat van menig bewoner. Kom daar nu nog eens voor…

Een luid toeterende vrachtwagen gevolgd door het krijsen van piepende remmen brengt mij en mijn gedachten weer keihard terug op de hedendaagse, luide aarde. Helemaal weg is de stilte… Zou het vroeger van nu indertied toch een soort van hemel zijn (geweest)?

Categorieën
Column

Afval

Best wel vaak, zeker wanneer ik de bergen afvalzakken zie staan, liggen en tegenwoordig ook hangen, vraag ik mij af hoe het kan dat we vroeger gewoon met één vuilnisbak, zo’n grijze zinken drekbak, toekwamen. Een keer per week kwamen de drekluuj langs om die bak in de grote, in mijn vroegjeugdige jaren, monstrueuze drekwagel leeg te gooien om vervolgens door te rijden en te lopen naar de buren of overburen om ook daar die drekbak leeg te gooien in de vuilnisauto.

Eén vuilnisbak per week! Oké, mocht het nodig zijn, dan werd het afval dat niet in de bak paste naar het stort, eerst aan de Klein Heideweg en later aan de Langen Akker, gebracht. Meestal op zaterdag of bij echt dringende noodzaak, op woensdagmiddag, want dan waren we vrij van school. Maar dat was slechts sporadisch.

Wanneer ik de tegenwoordige afvalbergen zie, rijzen mij soms de haren (haren? heb ik haren?) te berge, bijna even hoog als de afvalbergen. Alsof iedere week de hele inboedel van een huis, inclusief de koelkastrestanten, weggegooid worden. Afval, in restzakken, groenbakken en tegenwoordig dus ook pmd-zakken. En dat afval wordt ook nog op verschillende dagen opgehaald. Kun je je voorstellen wanneer al dat afval één keer per week opgehaald zou worden? Voorstellen hoe hoog die afvalbergen dan zouden zijn?

Is het de tegenwoordige consumptiemaatschappij die voor al dat afval zorgt? Hoe werd dan indertied alles verpakt? Of kwam dat omdat we toen allerlei soorten winkels dichtbij hadden? Dat je, als het moest, dagelijks verse waren gingen halen. In de kalbas, groot en… herbruikbaar of in de grote, ook herbruikbare rotan mand met dito hengel. En dat toen die drekbak gevuld werd met materiaal dat echt niet meer te herbruiken was. Of was het een soort van indertiedse zuinigheid met vlijt?

Ik wilde voorstellen om die ouderwetse (tegenwoordig heet dat ‘vintage’) drekbak weer terug in het hedendaagse straatbeeld te brengen maar realiseerde me gelijk dat ik dan iets nog veel ernstigers zou creëren. Nog hogere, maar dan illegale afvalbergen… met aan de voet, de fabrikanten. Toch?

Categorieën
Column

Vrijheid

Mijn trein spoedt zich vanuit Utrecht naar Maastricht maar wordt onderweg opeens gehinderd door een langzaamaanactie van een stoptrein die niet echt door wil rijden. Hinderlijk maar, met de onmogelijkheid tot passeren, is het even (even?) niet anders. De reiziger moet er mee leven en vooral mee reizen.

De zon waaiert nog altijd stralen over het Brabantse land. In de coupé wordt gezellig, ongedwongen en vooral veel gekeuveld. Ik vind het nog steeds onvoorstelbaar dat mensen een hele treinreis hun mond zo verbaal kunnen roeren zonder daarbij een kaakbreuk op te lopen.
Orale mishandeling van stiltegenieters, denk ik in stilte.

Peuterreizigers, samen met oma en opa op reis, gillen om het hardst om persoonlijke aandacht. Mijn geest raakt geprikkeld en onbewust wordt een column geboren.

Een trein die ongehinderd koers zet naar Maastricht. Hoeveel van de reizende volwassenen in deze trein zouden op dit moment beseffen dat zij, in alle rust en vrijheid, deze reis kunnen ondernemen? Zonder streng en starend in de loop van een geweer, aangesproken te worden om de noodzakelijke papieren te laten zien. Zonder dreigende taal, uitgesproken door een of andere buitenlandse militair die een uur in de wind uit zijn mond naar Zwiebeln stinkt? Waarschijnlijk eentje…

Een zware koffer dondert om, veroorzaakt een plotse, harde knal. De verbale geluiden verstommen, maar gaan dan ras weer verder. De trein zoekt zich rammelend en schurend een weg door de schijnbaar krullende brij van stalen rails en vindt uiteindelijk een tijdelijke stopplaats in Eindhoven. De stoet in de coupé zet zich in beweging, richting de uitgang. Daarbij niet dwingend en porrend geholpen door een gewapende Soldat uit een vijandelijk land.

Het zijn die gedachten en constateringen die mijn hoofd binnendwarrelen zoals deze rond 4 en 5 mei altijd aanwezig zijn. Net zoals mijn vingers, die deze gedachten in woorden toevertrouwen aan een schermpje dat ik op toetsende wijze en vooral in vrijheid vul.

Vrijheid. Voor mij het uiten van mijn gedachten, in woord en gebaar. Op scherm, op papier. Zonder dat daarbij dreigend en controlerend wordt meegelezen. Vrijheid is voor mij ook: het verbinden van gedachten en gevoelens zonder een wapen tegen mijn hoofd. Vrijheid is vrij zijn, vrij in doen en laten. Met inachtneming van de wetten die ooit op een democratische wijze tot stand zijn gekomen en die niet zijn opgelegd door een narcist, tiran of dictator. Al dan niet getooid met Schnurrbart

Met deze constatering druk ik mij ontspannen en tevreden in mijn treinse hoekje en heb alle vertrouwen in de machinist dat die mij netjes gaat brengen naar ‘het eindstation van deze trein’, zoals de vredige omroeper het normaliter placht om te roepen…

Categorieën
Column

Koninginnedag

27 april. Tegenwoordig Koningsdag, indertied, toen ik nog een héél jong menneke was en mijn verstand bijna dagelijks opgevijzeld werd in de 3e klas van de lagere school aan de Rijksweg in Vilt, de jaarlijkse Koninginnedag die toen gevierd werd op 30 april.

Die bewuste Koninginnedag, werd er op het sportcomplex van de RKVV Vilt een sportdag gehouden, met medewerking en deelneming van alle leerlingen. Iedere klas had een eigen uitdaging en die van de ‘mannen’ van klas 3 was die middag, zaklopen.

Zoals te doen gebruikelijk bij zulk een – ook toen al – inspannende activiteit was het de bedoeling dat je zo snel mogelijk vanaf de start bij de finish moest geraken. Wij, deelnemers, moesten onze onderdanen (benen) hullen in een jutezak en na het startschot dan al huppelend richting finish eh… huppelen, want lopen in zo’n zak kon je niet echt zaklopen noemen, eerder zakhuppelen.

Omdat ik ook deelnam, werd dat dus ook van mij verlangd en dus huppelde ik, na het startschot, heel fanatiek voorwaarts. Totdat mijn huppelen onderbroken werd door een voorwaartse val en ik derhalve kennis maakte met het gekortwiekte gras en de zich daaronder bevindende aarde van het sportcomplex van de RKVV Vilt. Ik worstelde mij in mijn zak weer rechtop en huppelde weer vrolijk (vrolijk?) verder. Tot aan de finish. En niet veel later werden de prijzen bekendgemaakt. Tot mijn – nu nog steeds – stomme verbazing won ik de 2e prijs in mijn categorie. Een tablet chocolade van toen, in mijn jeugdige ogen, ongekende afmetingen.

Naast de verbazing was ik ook nog trots op mijn prestatie en ik nam mij voor om die prijs te bewaren tot thuis. Om die aan mijn ouders te laten zien en te delen met mijn broertjes en zusjes.

Na de sportieve prestaties wachtte een film op ons in café D’n Turk. De zaal van dat café was al gauw gevuld met heel veel leerlingen en het werd er best wel warm. Waar de film over ging, is gewist uit mijn herinnering, wat ik wel nog weet was dat het een zwartwitfilm was. Ik koesterde de tablet chocolade in mijn handen maar merkte ook dat die lekkernij steeds zachter werd. Goede raad was toen ook al niet duur en om te voorkomen dat de tablet helemaal zou smelten maakte ik de verpakking los en brak een stuk chocolade af en at dit op. Niet veel later nog een stuk en uiteindelijk, niet echt veel later, had ik alleen nog de lege verpakking in mijn handen.

Thuis vertelde ik later die middag dat ik de tweede prijs gewonnen had en dat ik die prijs, genoodzaakt door het smeltproces, had moeten opeten. Of mijn broertjes en zusjes dit geloofden is ook uit mijn geheugen gewist. Maar het was wel zo.

Overigens, ik heb nooit meer een prijs gewonnen tijdens een Koninginnedag. Trouwens ook niet tijdens een latere Koningsdag…

Categorieën
Column

Schoolherinnering (2)

Ja, die iedere vrijdag. Dan wandelden wij des morgens steevast en weer en groupe, naar het, inmiddels verdwenen Sportfondsenbad en kregen daar twee natte uren zwemles. Echter, die lessen waren niet aan mij besteed, want mijn lijf herbergde in die Maastrichtse lagere schooljaren een soort van ernstige watervrees, opgelopen ergens bij een glij- en valpartij in mijn nog jongere jeugdjaren. In een toen vooral stinkende Geul.

Vaak heb ik vanaf het droge staan toekijken, wanneer ik weer eens de kont tegen de krib gooide en weigerde om bepaalde zwemoefeningen te doen. Dan werd ik naar de kant en vaak ook naar een hoek gedirigeerd om vandaar de oefeningen te volgen van mijn medeklasgenoten.
In mijn dienstplichtige jaren heeft die watervrees en/of weigerachtigheid mij menig uur nachtrust gekost omdat ik toen, als marineman, verplicht was een zwembrevet te halen. En die verplichte zwemlessen waren – wanneer ik geen wacht hoefde te lopen – telkens om 06.00 uur. Des morgens, hè!

Maar terug naar klas 5B/6B. We hadden in die jaren ook nog twee keer per week gymles. Op de speelplaats. Dat was een langgerekte plek tussen het hoge schoolgebouw en een iets lagere schoolmuur. Met regelmaat speelden wij ‘kastie’. Of dat spel nog gespeeld wordt of bij de lezers nog bekend is? Dat weet ik niet. Een tennisbal werd door de speler van dienst iets omhoog gegooid en diezelfde speler moest vervolgens de bal dan met een plank(je) zover mogelijk wegslaan. Heel vaak ging dat goed, minder vaak ging het mis en héél soms verliet het plankje de hand van de speler, stuiterde de bal gewoon op de grond maar sjeigelde het plankje als een reusachtig scheermes op kniehoogte door het vangveld c.q. over de speelplaats. Dan was het voor de potentiële vangers (van de bal!!) duiken om die sjeigelende plank te ontwijken.

Dat wij indertied door al dat sporten een geweldige conditie hadden, stond toen en staat nu nog steeds, buiten kijf. Sporten was toen heel belangrijk, zeker bij de toenmalige onderwijzers c.q. broeders, die dat woord hoog in het vaandel hadden staan.

Kom daar tegenwoordig nog eens voor… Sporten als les.

Categorieën
Column

Schoolherinnering (1)

Na het ontdekken van het getuigschrift voor goed gedrag en vlijt keerden – zoals ik al in de vorige column schreef – mijn gedachten weer terug naar mijn lagere schooltijd in het Maastrichtse. Mijn ouders vonden dat ik slimmer zou worden wanneer ik mijn lagere schooltijd vanaf de vijfde klas in Maastricht zou vervolgen. Of dat ook het geval is laat ik aan anderen over…

In ieder geval, na de zomervakantie van 1965, vervolgde ik dus mijn basiseducatie in de Sint Jozefschool in de Wycker Grachtstraat in Maastricht. Van maandag tot en met vrijdag ging ik met de bus, later zelfs met een aparte schoolbus van ‘De Valk’ naar Maastricht. Stipt om 07.40 uur vertrok de bus vanaf de kerk. Stipt om 16.10 uur vertrok de bus vanaf de sjtasie weer richting Berg. Dat was dan altijd hollen vanaf de school naar de sjtasie want de school ging om 16.00 uur uit en 10 minuten waren ook toen toch maar 600 seconden. En die waren zo voorbij. Dus, rennen…

Maar op die Sint Jozefschool vermaakte ik mij, als klein en vooral fanatiek sportmenneke, opperbest. Tijdens het ochtendspeelkwartier voetbalden wij tussen de geparkeerde auto’s in de Wycker Grachtstraat nadat wij aan het begin en einde van die straat een groot hek met een, voor auto’s bestemd, inrijverbodsbord hadden geplaatst. Er werd vervolgens om iedere bal gestreden en gelukkig konden de geparkeerde auto’s in die straat toen nog een stootje en een hard geschoten bal verdragen. Soms verdween de bal onder zo’n verdraagzame auto en dan was het zaak om die geklemde bal weer onder die auto vandaan te halen. Dat er menige broek daardoor bevlekt raakte, ach… dat was een zorg voor later, lees: een zorg voor mama.

Tussen de middag togen wij vanaf de school, netjes in de rij, twee aan twee, richting de ‘Griend’ om aldaar een flink balletje te trappen. Op twee hoopjes gegooide jassen aan de ene kant – aan de andere kant stonden twee stevige, ijzeren paaltjes – vormden samen de twee doelen. En hup, voetballen maar. Bijna op leven en dood, nou ja… soms. Want het was steeds klas 5A tegen 5B, een jaar later, uiteraard en logisch, klas 6A tegen 6B en indertied was de voetbalrivaliteit tussen die klassen enorm. Dat er af en toe vergeten werd om met de voeten te ballen en de gebalde vuisten het overnamen, ach, het hoorde gewoon bij het groter en ouder worden. De bloedneuzen trouwens ook.

En dan was er ook nog een sportieve, uiterst natte activiteit op vrijdagmorgen. Eentje waar ik indertied en nu nog steeds, een bloedhekel aan had en heb. Maar daarover meer… Volgende week.

Categorieën
Column

Getuigschrift

De boekenrek opruimend kom ik ze weer tegen. De grote gele map met het door mijn rechterhand en dankzij een rode viltstift vervaardigde opschrift ‘diploma’s’. En wanneer ik de map open, keren mijn gedachten weer terug naar indertied. Het is niet anders en gelukkig voor mij weer een onderwerp waarover ik iets weet te schrijven. Want in die map vind ik – na voorzichtig voelen, want de inhoud is, net als ik, al best wel, zeg maar, héél oud – diverse documenten. Gelukkig, de documenten zijn niet van perkament.

Wat ik zoal aantref? Een praktijkdiploma machineschrijven, een mavodiploma, een P-diploma, een hele rits automatiseringscertificaten, nog meer ritsen getuigschriften die getuigen van deelname aan weer andere automatiseringscursussen. Eerlijk gezegd en geschreven wist ik niet meer dat ik in mijn jongere jaren zoveel van die enge cursussen gevolgd heb.

Een laatste vel redelijk dik en ruwig papier/karton voel ik in de map. Toch iets van perkament? Het blad is opgevouwen. Met en tussen wijsvinger en duim trek ik het papier uiterst voorzichtig uit de map en leg het, bijna plechtig, voor mij op het bureau. Ik overweeg heel even om zachte stoffen handschoentjes aan te trekken, maar aan de nog aanwezige stevigheid van het papier/karton te voelen is dat nu nog niet nodig. Ik vouw het blad open en… een kleurig getuigschrift voor goed gedrag en vlijt, aan mij uitgereikt op 24 juni 1967, bedekt een best wel groot deel van het bureau.

Wauw, zo te zien en te lezen ben ik vroeger best wel een braaf en vlijtig menneke op de Maastrichtse lagere school geweest. Of was het indertied vaste prik om iedere scholier op die lagere school (St. Jozefschool) zo’n getuigschrift te overhandigen bij het achterlaten van de lagere schooltijd?

Uiteraard dwalen mijn gedachten subiet af naar die Maastrichtse tijd. In de Wycker Grachtstraat in Wyck, waar ik de laatste twee jaar van mijn basisopleiding heb gevolgd. Maar daarover meer in een volgende column.

Ik maak een foto van het bewijsstuk van ‘braaf & vlijtig’ en schuif vervolgens het getuigschrift weer voorzichtig terug in de gele map, samen met de andere documenten en plaats de map veiligheidshalve tussen twee stevige dikke, historische boeken. Historie moet gekoesterd worden, ook de mijne. Toch?

Categorieën
Column

Lieske

Ik las van de week de voorlaatste column van mijn favoriete en jammer genoeg afscheidnemende columnist, Gerard Kessels. Gerard repte in zijn – zoals hij het altijd noemt – stukje over het doen van zijn boodschappen in de supermarkt en al tijdens het lezen van zijn column zweefden mijn gedachten, zoals zo vaak, weer terug naar indertied.

Naar de tijd van de kruidenierswinkel van Lieske. Bovenaan de Geulhemmerberg. De winkel waar ik en vele andere boodschappendoenders indertied, zonder zelfbediening, netjes geholpen werd vanachter de, tijdens mijn peuterlengte en -leeftijd, bijna torenhoge toonbank. Ik gaf dan het met voldoende geld gevulde portemonneetje inclusief het boodschappenlijstje en de grote rotanmand af aan meestal Leonie van Lieske. Leonie las dit briefje en zij nam vervolgens geroutineerd de benodigde artikelen uit de vakken en rekken en deponeerde en rangeerde het eetbare spul vervolgens allemaal netjes in de mand, inclusief het zakje met het ‘snoepje van de week’.

Indertied was het altijd de klant die geholpen werd door echt personeel, in mijn geval dus Leonie en heel soms nog eens Lieske. Kom daar tegenwoordig in de supermarkten nog eens voor. Je moet alles zelf doen. Zoeken, wegen, het liefst zelf scannen en ook nog zelf afrekenen. En dat zelf afrekenen moet je in de supermarkten op verschillende manieren doen. Er is geen standaardafrekening. Bij de ene super doe je dat met behulp van een zelfscanner of als je snel wilt zijn, middels het scannen via je eigen telefoon. Dat de slogan in die supermarkt beter veranderd kan worden van ‘Scan & Go’ in ‘Ergernis & Don’t Go’ zal niet alleen op mij van toepassing zijn. Bij de andere super heb je dan weer de Bonuskaart nodig en is het te hopen, wanneer je dan toch zelf wil scannen, dat er nog een werkende scanner in de scanwand aanwezig is. Want, óf door personeelsgebrek óf door een gebrek aan interesse van het personeel zijn die ondingen steeds vaker niet dan wel aanwezig en ja, er zijn ook nog supermarkten waar je wel nog kunt afrekenen bij de kassa. Alleen wanneer je dan geconfronteerd wordt met een zwaar gerimpelde en gapende caissière die – aan haar rochelende hoest te horen – liever buiten een nicotinestaaf in haar gezicht zou willen steken en waarschijnlijk daardoor totaal ongeïnteresseerd en heel langzaam de artikelen scant, je ook nog met een meewarige blik attendeert dat je het benodigde klantenkaartje niet op de juiste manier voor het voor dat doel bedoelde klantenkaartscanapparaat houdt en vervolgens bijna onverstaanbaar laat weten wat de kosten zijn, dan verlang je (en ik dus ook) terug naar indertied, terug naar de tijd en behulpzaamheid van Leonie van Lieske.

Gerard, de columnist en stukjesschrijver van hierboven is dus niet de enige boodschappendoender die problemen heeft met de huidige systemen en caissières in de super.

Categorieën
Column

Tante

Vorige week zat ik aan een ronde tafel in een klein kroegje aan een grote weg met een aantal wandelkornuiten van ongeveer mijn leeftijd, de een wat ouder, de anderen wat jonger. Maar van dezelfde generatie.
Aan zo’n ronde tafel komen alledaagse, voorbije en hedendaagse nieuwtjes en – zo je wilt – oudtjes ter sprake. Op een gegeven moment kwamen voorbije eh… oudtjes ter sprake. Toen passeerden kinderprogramma’s uit onze jeugd, dus van héél, héél lang geleden. Floris, Kapitein Zeppos, Johan en de Alverman, ja zelfs Thierry la Fronde. Bij iedere naam en/of titel zag ik blikken van herkenning. Ook toen ik de namen Tante Terry en Nonkel Bob liet vallen. Ja, mijn wandelmaten kenden duidelijk hun klassiekers.

Later die middag, op mijn weg huiswaarts, herinnerde ik mij opeens weer een gesprek met mijn moeder, ergens in 2018 (dus ook al indertied).
Ik vertelde haar die avond dat Tante Terry was overleden. De blikken die ze mij toewierp waren gevuld met louter vraagtekens. Die hele – toen al overleden – Tante Terry, zei haar niets, liet zelfs geen zwak lichtje bij haar branden. Ik probeerde het nog met de naam van het programma waar zij, samen met Nonkel Bob en Eekhoorn Kraakje, deel van uitmaakte. Klein klein Kleutertje.
Ik deed nog een poging door haar te vertellen dat wij, kleinere kleinsten, elke woensdagmiddag tussen 15.00 en 17.00 uur naar dat BRT-programma op het toen nog zwart-witte televisiescherm keken. Maar wat ik bij haar zag was alleen die grote berg vraagtekens. Later diezelfde avond vertelde ik een vriendin op leeftijd en ook van mijn mams, hetzelfde verhaal. En ook bij haar zag ik die gevraagtekende blikken.

Toen ik na mijn rit huiswaarts en wat later naast mijn vrouw op de bank ging zitten, vertelde ik haar over de gesprekken die ik met mijn wandelmaten gevoerd had en dus ook over Tante Terry. Zij keek mij aan alsof zij een donderend bombardement op Teheran hoorde.
“Tante wie?”
“Tante Terry, je weet wel van dat toentertijdse kinderprogramma Klein Klein Kleutertje.”
“Tante Terry? Nooit van gehoord. Maar ja, dat kan natuurlijk ook komen omdat ik een héél stuk jonger ben dan jij. Zeker zo’n vijf jaar.”
“Ben ik dan hier in huis dan de enige die Tante Terry gekend heeft?”
“Dat weet ik niet, maar zij zal jou in ieder geval niet gekend hebben.”

Toen heb ik maar niets meer gezegd, beter, gezwegen.