Categorieën
Column

Flauw

Twee kindjes rollebollen al vechtend over een trampoline. Aan de aanmoedigingen van de rond de trampoline staande kinderen te horen zijn het Daan en Dorian die een robbertje vechten eh… uitvechten. Omdat er ook volwassen toezicht is, houd ik mij verre, lees achter de omheining van het speelterrein, en laat mijn gedachten de vrije loop. Die rennen gelijk terug naar indertied toen ook weleens robbertjes gevochten werden.

Maar het gevecht waarnaar ik nu terugkeer was tijdens een speelkwartier op de speelplaats en eigenlijk geen echt gevecht. We legden, als grap, twee lucifers kruiselings op elkaar en we vormden, samen met meer dan een vijftigtal collega-mavoscholieren een grote cirkel rondom de beide lucifers. Vervolgens begonnen wij luide aanmoedigingen te schreeuwen en te gillen en tegelijk een golvende beweging te maken waardoor het leek alsof er hard gevochten werd.

Niet veel later kwam een drietal vredelievende en normaliter lesgevende broeders de school uitstormen en die sloegen zich een weg door de scholierenmassa. Totdat zij de ‘arena’ bereikten waar de beide lucifers nog steeds lagen. Wij, scholieren, draaiden ons om en gingen uit elkaar en heen. Alsof er niets gebeurd was.

Helaas zagen de broeders onze grap niet als een grap en werd het lesuur, volgend op dat speelkwartier door de broeders benut om ons te straffen met het gedwongen schrijven van strafwerk. We moesten 100 keer een door de broeder gedicteerde tekst schrijven. Hoe precies die (lange) tekst luidde is mij ontschoten maar het leek op ‘Vandaag is de druppel gevallen die de emmer deed overlopen waardoor wij nu gestraft zijn met het schrijven van deze tekst’.

Flauwe broeders… toch?

Categorieën
Column

Scheren

Ik sta voor de badkamerspiegel. Mijn spiegelbeeld kijkt mij vorsend aan. Helemaal bezet met scheerschuim lijkt het gezicht van mijn spiegelbeeld op een kerstman. Een best wel oude kerstman, gelet op de vele rimpels. Terwijl ik het scheermesje in het schuim zet en voorzichtig, vooral voorzichtig, het mesje door het schuim over mijn huid trek, duiken mijn gedachten weer eens terug in de krochten onder mijn kaal te scheren schedeldak. Toen mijn baardgroei zichtbaar werd op mijn melkmuil. Dunne haartjes onder mijn neus, ietsjes donkere nestharen op mijn kin en langs de oren. De wangen bleven nog een tijdje maagdelijk glad. Met dank aan mijn pap, mocht ik onder het toeziend oog van diezelfde glimlachende pap, mijn eerste voorzichtige halen doen tussen neus en lippen en over mijn kin.

Lauw water, een scheerstick van de Vergulde Hand en een merkloze harige kwast (geen gekke) waren de uitgrediënten die ervoor zorgden dat mijn gezicht onder schuim bedolven werd. Als bescherming tegen een eerste eventuele gezichtsmishandeling met een heus Gillette scheermesje. Voorzichtige halen omhoog, mijn gezicht in of uit de plooi houdend met de vingers van de hand die niet het scheerapparaatje met vlijmscherp mesje vasthield.

Nog geen tien tellen later was het klusje geklaard. Ik slaakte een zucht van verlichting en papa controleerde goedkeurend mijn gedane werkzaamheden. Controle van de handdoek leerde mij dat het geen bloedbad geworden was.

In het huidige nu heb ik ruim meer tijd nodig dan de tien tellen van indertied. Want schedel, een aangezicht met vooral grijze baardharen en een op een kalkoenennek lijkende hals leveren inmiddels meer scheerminuten op dan toen, bij mijn eerste scheerbeurt. Alweer lang, heel lang geleden.

En diezelfde scheerminuten gelden ook voor mijn spiegelbeeld. Voor alle duidelijkheid…

Categorieën
Column

Hecht

Zittend aan mijn bureau neem ik haar ter hand. Tot mijn verbazing ter linkerhand. En gelijk dwalen zij weer af, mijn gedachten, naar indertied, toen ik haar ontving en gelijk liet werken. En nu, na dik 55 jaren hebben wij nog steeds een meer dan hechte band.
Zij reisde met mij mee. Vanaf mijn eerste werkplek in Maastricht naar een witmarmeren gebouw in Heerlen en vervolgens via Sittard, Heerlen en Maastricht, niet per se in die volgorde maar wel in mijn rugzak of fietstas. Mijn onafscheidelijk vriendinnetje. Scherp vanuit de heupen, hechtend haar smalle ijzeren verbandjes.
Toen belandden wij weer in Maastricht. In een groot, wit gebouw met lichtblauwe statige torenkroon. Achter de spuitende vijver bij de grote rotonde. Zij volgde mij op de voet, terwijl ik haar steeds opnieuw bij, beter, in de hand nam. Ze ging uiteindelijk zelfs mee in de trein, soms 1e, heel vaak 2e klas. Want goedkoper. Voor de baas.
Daarna werkten wij hechtend samen aan een straat die men heel duur avenue noemde. En daar werden de, in ieder geval betalende, werkzaamheden vanwege een definitieve vorm van pensionering, onderbroken. Onvrijwillig ging zij mee in de doos met persoonlijke spullen en via België en Vilt staat zij vandaag weer klaar om mij van dienst te zijn bij het bijeenbrengen en vooral bijeenhouden van een 13-tal bladzijden die na hechting een uitgebreid verslag gaan vormen.

Ik keer terug naar het vandaagse nu en neem haar ter hand en weer valt mij op dat ik, als rechtshandige schrijver, haar in mijn linkerhand neem. Ik schuif de 13 velletjes tussen haar geopende, roestige mond. Zij zet haar tanden, na enige druk van mijn hand en gelijk Dracula, in de punt van de papieren en zij hecht er veel waarde aan dat de verbinding tot stand wordt gebracht en gehouden.

Voldaan opent zij, met een discreet klikje, weer haar mond en ik plaats haar terug naast de plakbandrol maar ver verwijderd van haar glimmende vijand. De vijand die haar werk soms eh… tenietdoet, wanneer er kopieën of zoiets gemaakt moeten worden. Dan worden de vellen papier door haar vijand onthecht om daarna, weer samengebracht te worden. Linksboven in het hoekje…

Ik kijk haar aan, zij kijkt terug. Zij toont zich van alle kanten. Grijs, roestig maar taaier dan de taaiste taaitaaipop. Haar tanden, die zij moeiteloos inzet, hechter dan de sterkste paperclip. Haar buik, primitief getatoeëerd met mijn initialen, door mij op de eerste dag dat ik haar in mijn handen nam om haar nooit meer te laten gaan. Indertied op die voor mij nog altijd gedenkwaardige 1 juli 1971.

Samen gingen wij een spannende weg die nog steeds niet beëindigd is. Zij doet nog steeds haar hechtende werk, houdt papieren samen. Mijn nietmachine, grijs, kaal maar niet versleten. Samen maakten wij van alles mee. Hecht was onze band, soms tot in de top van mijn rechterduim zette zij ooit haar tanden. Nu nog altijd een pijnlijk herinnerding. Maar zij is en blijft mijn (h)echt vergeetmijnietmachientje…

Categorieën
Column

Bankontmoeting (6)

De zon brandt. Naast de schaduw. Mijn geluk? De bank onder de boom. In die schaduw. Die schaduw maakt het hedendaagse zomerse buitenleven in ieder geval een beetje draaglijker.
De benen gestrekt vooruit, de armen op de rugleuning gespreid en genieten. Genieten van het huidige droge groene, van de weinige vogelzang maar daardoor nog intensere stilte. Totdat…

Ja, daar komt hij aangebanjerd. Blootshoofd, mouwen opgerold, een grote zonnebril die zijn ogen bedekt, op zijn neus en een mond die eigenlijk nooit stilstaat.
De bank trilt wanneer hij zijn lijf op de balken onderzetter plaatst en hij steekt direct van wal: “Man, wat een hits. Neet miè normaal. Dat waor toen wál andersj.”
“Toen? Wat?”
“De zomer van – ik geloof – 1978.”
“Wat was toen?”
“Het OLS. In Schaesberg. Rège, jóng. Regen, niet meer normaal. Daar hebben wij met de Nachtwacht toen ook aan meegedaan. Aan dat OLS. Maar niet gewonnen.”
“Dat neem ik aan. Indertied zullen jullie ook niet allemaal scherpe schutters geweest zijn.”
“Mwah. Wij hadden toen al best een goede schietploeg. We hebben zelfs geen bölke gemist. Toen.”
“Huh? Geen bölke gemist? En toch niet gewonnen? Hoe kan dat?”
“Omdat we toen niet meegeschoten hebben. Haha. We waren op proef. Als gastvereniging.”
“Ah… daarom dat jullie toen geen bölke gemist hebben.”
“Klopt. Maar het weer was die dag bar en boos. De hele optocht was één grote regenbui. En we zijn een week later nog naar het kavelen geweest en wat denk je?”
“Eh… weer geen bölke gemist?”
“Man, toen regende het nog harder.”
“Oh…”
“Maar ik ga weer verder? Wandel je mee?”
“Neen, ik blijf nog even zitten.”
“Oké, dan tot… auwah…”
“Wat is er?”
“Daar viel me een bölke – ik denk een eikel – precies op mijn hoofd.”
“Dan heeft dat bölke jou ook niet gemist.”
“Haha, leuk. Hoiie!”
“Hoi!”

Categorieën
Column

Fruit

Mijn vrouw zit zwijgend te lezen. Met grote regelmaat beweegt haar rechterhand bijna automatisch naar een mandje. Een mandje kersen, Kordia’s. Gisteren gescoord door mij in een fruitautomaat in Vilt. Haar vingers graaien voorzichtig in het mandje, niet veel later verschijnt de hand met daarin een donkere kers met staartje en zweeft die hand naar haar mond om aldaar de kers te droppen en na kaalzuiging het pitje én het staartje in een klein bakje te laten landen. En dat allemaal zonder haar ogen van haar boek af te wenden.

En wat gebeurt er dan? Ja, dan verdwijnt haar hand opnieuw in het mandje maar… mijn gedachten verdwijnen acuut naar vroeger, naar indertied, toen – volgens mij – de Kordiasoort nog niet bestond. Toen bestonden en hingen er, volgens mijn herinnering, alleen keersje aan de bomen. Zeute keersje zonder naam, aan de hoge boom direct achter onze tuin in de wei van Broersj. En verder had je nog zoer keersje die ik vond – en na één keer proeven, nooit meer gegeten heb – op de Vilterhei. En dan waren er nog de roodgele vleisjkeersje. Lekker hard en heerlijk. Meer soorten had je, volgens mij, indertied, ergens in de vroege jaren 60 van de vorige eeuw, niet.

Die vroege jaren 60, makkelijke jaren dus. Wat kersen betrof, zoet, zuur en vlees. En eigenlijk wat alle fruit betrof.
Sjnièappele, sjtereppelkes, gouwe lieskes.
Hel en zachte père.
Greun en blauw proeme.
Dan had je het toen ook wel gehad. Wat ik me ook herinner? Dat fruit smaakte indertied ook prima. Zonder moeilijke namen. En het leuke bij de kersen was dat wanneer er twee staartjes met aan elk uiteinde een kers aan elkaar vastzaten, je die staartjes met kersen over je oor kon leggen. Dan had je oorbellen.

Ik moet glimlachen wanneer ik aan die tijd terugdenk, maar het lachen vergaat me wanneer ik het mandje voorzichtig naar mij toe trek. Leeg…

Categorieën
Column

Oognaald

Terwijl ik de kamer binnenwandel zie ik mijn vrouw ingespannen achter haar naaimachine zitten. Een groot stuk stof gekruld en gekreukt voor haar en met beide handen een punt onder een snel op en neer bewegende naald duwend. En gelijk verdwijnen mijn gedachten weer in de door de schedel bedekte hersenkist met herinneringen. Ik zie mijn moeder weer. Ergens begin jaren zestig van de vorige eeuw. Zittend aan een naaimachine, een donkere herinner ik mij, en met een of twee voeten de ‘treeplank’ onder de machine op en neer bewegend waardoor een naald met garen de stukken of stukjes stof met elkaar verbond.

Dat naaien an sich vond ik indertied eigenlijk niet zo interessant. Ik had meer oog voor het gepriegel van de handen van mijn mam wanneer het garen vanaf het rolletje bovenop de machine via allerlei omwegen – dat haar handen nooit verdwaald zijn in die wirwar van gaatjes en haakjes verbaasde mij toen en nu nog steeds… – bij de naar omlaag wijzende naald gevoerd werd en vervolgens door het minieme gaatje van die naald gepriegeld werd. Wanneer ik haar toen bezig zag, verscheen bij mij onbewust mijn tong tussen de lippen, alsof ik de inspanning leverde. Ik vond het iedere keer weer een prestatie van formaat.

Een aantal jaren later, op de middelbare school, boorde ik mijn allereerste verdienbron aan. Met het draads gepriegel van mijn moeder voor ogen legde ik mij toe op het invème van de draad garen door het gaatje van de naai- of borduurnaald. Vreemd? Misschien. Maar ik wist dat broeder Melchior, onze handenarbeidleraar, ging starten met een project van het maken van kunstwerkjes waarbij karton, naald en draad gebruikt ging worden. Het was een soort van borduren. Door de naald mét draad door het karton te drukken maakten we echt schitterende kunstwerkjes. Alleen… heel vaak verliet de draad het gaatje van de naald zonder dat de draad door het karton was meegegaan. En daar verschenen mijn verdiensten. Ik was zeer bedreven in het priegelen van die draad door het oog van de naald. Mijn klasgenoten genoten ervan wanneer ik zo’n puntje van het garen door het oog voerde en waren bereid iedere keer een dubbeltje voor die draad-door-het-oogvoering te betalen. Ik genoot ook. Totdat broeder Melchior hoorde van mijn illegale (illegale??) bijverdiensten. Hij dwong toen zijn leerlingen zélf het puntje door het oog van de naald te priegelen. Ik heb die katholieke broeder toen vloekend, weliswaar in stilte, rechtstreeks naar de hel gewenst…

Categorieën
Column

Schoonschrift

Twee jaar geleden (13 juli 2024) wijdde ik een column ‘Pieke’ aan meister Hindriks. De man die mij het schoonschrijven leerde. Aan die column moest ik denken toen ik op een nieuwssite las dat bochtjes maken met een pen bij een groot deel van de huidige jeugd niet meer lukt. Ze houden er verkrampte vingers en hand aan over. Bochtjes maken houdt in dat je verbonden schrijft. De letters aaneen, zodat je een woord vormt.

Omdat dat bochtjes schrijven tegenwoordig niet meer lukt, verschijnen er blijkbaar onleesbare letters en dus ook woorden op het papier. Kinderen blijken helemaal verkrampt te schrijven waardoor er stress ontstaat. Zelfs jaren schrijven met een pen levert onleesbare resultaten op. Tijdens het lezen daalden mijn gedachten dus terug naar die eerdergenoemde column en toen nog verder terug naar de diepste krochten van mijn herinneringen. Toen ik in de derde klas van de lagere school geen zin meer had in schoonschrijven. Ik schreef wel nog in bochtjes en bochten en ook nog wel verbonden maar door desinteresse (een woord dat ik toen nog niet kende) drukte ik veel te hard op de kroontjespen en werden de lijnen van mijn geschreven letters dikker dan dik, in een woord ‘lelijk’. Juffrouw T. vond dat lelijks maar niks en ‘beloonde’ mij met dagelijks huiswerk. Een half blad in een schrift vol schrijven, niet op school, in de klas. Maar thuis!

Iedere avond, van maandag tot en met vrijdag, moest ik thuis een half blad in een groen schriftje volschrijven. Na echt vele maanden oefenen werd mijn handschrift er niet echt beter op maar opeens zag ik het licht. Of ik op dat moment in de richting van de lamp boven de keukentafel keek, kan ik mij niet herinneren. Wel dat ik de pen tussen mijn duim en wijsvinger een halve slag draaide of rolde, ik dus niet meer met de gebruikelijke schrijfkant van de kroontjespen op het papier drukte, maar met de dunnere achterkant het papier beroerde waardoor het schrijflijntje een stukje dunner werd. Het resultaat was verbluffend. Ik kon weer schoon en fijn schrijven. Én leesbaar én … nog steeds verbonden.

’s Anderendaags leverde ik het resultaat in en tijdens de les riep juffrouw T. mij naar voren. Ik vreesde het ergste, nog net niet de doodstraf. Maar tot mijn grote verbazing vond zij het superfantastisch dat ik opeens zo mooi schreef. Als beloning hoefde ik niet meer thuis te oefenen. Ik heel blij, zij blij.

Daarom denk ik dat het beter is wanneer de tegenwoordige kinderen ook gestraft gaan worden met iedere avond een halve bladzijde schrijfoefeningen doen. Thuis, hè maar het hoeft, wat mij betreft, niet in een groen schriftje. Door de jeugd iedere dag een stukje vrije tijd te ontnemen zal het schoonschrijven uiteindelijk weer zijn opwachting maken want geloof me, op een dag kijken zij naar het licht van hun bureaulampje en… wordt de juf of meester een dag later heel blij en de jeugd ook. Wedden?

Categorieën
Column

Bankontmoeting (5)

Het was een zonnige woensdagmiddag, onlangs, toen ik hem ontmoette. Op het bankje. Onder het dichte bladerdak van de dikke boom. De, mijn, schurende droom. 

Met regelmaat lees ik de journalistieke artikelen over overlast in Zuid-Limburg. Ook las ik onlangs een column van een gerenommeerd columnist die vindt en vond dat columns (een beetje?) moeten schuren. Toen dacht ik, ja ik kan ook denken aan een idee dat ik al jaren heb en dat nu zou kunnen schuren in een column. Een idee om de geluid- en motoroverlast in Zuid-Limburg te beperken en de lokale activiteiten weer naar hoge(re) niveaus te tillen.

Welk idee? Simpel, alle motorisch verkeer in de weekenden verbieden, desnoods autoloze weekenden invoeren. Moet je ergens naar toe? Pak de fiets, ga te voet, oké, ieder uur zal er een bus rijden op vooraf bepaalde trajecten. Om het even heel lokaal te houden, de mij bekende lijndienst van indertied, van De Valk, Hoensbroek-Maastricht v.v., zou weer in het leven geroepen kunnen worden. Met dan nu elektrische bussen, die fabriceren weinig tot geen geluid dus wat wil de stilteliefhebber nog meer. De weekendshoppers die naar de stad trekken? Tjah, die hebben pech, de mannen misschien niet, die hebben geluk, maar die shoppers kunnen wat mij betreft weer terecht op dan twee, ja twee, koopavonden die er dan per week zijn. Gewoon alles omdraaien, niet meer alles ten faveure van de gemotoriseerden, neen, stilteliefhebbers first!

Ik weet zeker dat ik in het begin en zeker nu een hele berg shit over mij heen krijg. So be it! Op termijn zal iedereen gewend zijn aan het idee dat het weekend er is om in eigen stad of dorp, oké de eigen regio kan ook nog, te vertoeven. Mensen zullen elkaar weer gaan ontmoeten, wat later elkaar gaan herkennen, vriendschappen zullen ontstaan, opnieuw opbloeien. De forensen, zij die alleen naar het dorp trokken voor rust, komen helemaal tot rust en gaan hun woonomgeving ontdekken en ervan genieten. De lokale middenstand komt weer tot leven, tot hernieuwde bloei. Gesloten dorpscafés worden heropend, nu nog slapende verenigingen ontwaken uit hun eerder gedwongen slaap. Op het dorpsplein zie ik al een heuse muziekkiosk inclusief zjwik. Kleine en kleinere zelfstandigen worden weer groot, zeker in eigen dorp. De auto wordt overbodig. Er komt ruimte op je eigen oprit, in de straat. De straat wordt weer een ouderwetse wandellaan met daartussen wat fietsers, liefst en vooral geen fatbikes.

Voor veel mensen zal deze woensdagmiddagse droom, mocht deze ooit werkelijkheid worden, een nachtmerrie blijken te zijn. Echter, wanneer de lezer zich dan realiseert dat een nachtmerrie ook een droom is, valt het allemaal uiteindelijk reuze mee. Toch?

Categorieën
Column

Bankontmoeting (4)

Het ontwaken was vroeg. Maar ik heb het er, soms, graag voor over. Voor een wandeling, onder langs. Langs de Geul. Om gewoon weer eens, net als indertied, in de spaarzame stilte te genieten van die meanderende Geul en aanverwante natuurartikelen. Ja, ik ben al héél lang een fanatiek natuurliefhebber. En af en toe, soms wat vaker, lever ik graag iets van mijn nachtrust in voor vroeg natuurgenot.

Hopende en ook wetende dat ik dan altijd iets moois ontmoet. Al wandelend, al zittend. En ik ben dan ook helemaal niet verrast wanneer ik hem hoor. De groene kikker. Wel verbaasd, zittend op een bankje, langs die lieflijke Geul die soms uit haar voegen barst. Vandaag gelukkig niet. Maar mijn oren ontmoeten de vlijmscherpe, loepzuivere ochtendzang, van – ik noem hem – Luciano Kikkarotti.

Zijn vroegochtendlijke zang kikkert mij opwekkend op. Blaast de soms opduikende slaap uit mijn ogen en opent mijn oren. Wagenwijd.

Waarschijnlijk slechts gehuld in zijn groengrijze badpakje maakt hij zijn opwachting in mijn oors theater. Ik leg genietend mijn armen en de daaraan gekoppelde handen op de rugleuning van het bankje. Dat bankje, mijn tijdelijke onderzetter, niet bedekt met pluche. Een soort van meet and greet lijk ik te hebben. Met hem, die groene kikker, die het natuurtheater vult met zijn concertante zang. Zijn zang, die de omgeving bezwangerd en laat weten dat de natuur hier als een dictator regeert. Van mij mag het!

Mijn rug leunt tegen de rugleuning, mijn ogen zoeken – niet echt overtuigend– naar Luciano, de ochtendtenor. Ergens in het water zal hij gehurkt zitten. Mijn oren proeven de geur en het geluid van een zalige zonnige ochtend, terwijl de kikker van geen ophouden weet. Zelfs de vliegende omgeving, vaak ook goed in het geven van gratis ochtendconcerten, doet er hoorbaar het zwijgen toe. Het is het luide zingen dat de koene kikkerklok slaat en ik ben momenteel waarschijnlijk de enige die de waterige zang, genietend en vooral enthousiast ondergaat.

Mijn luisterende ik roept en smeekt in stilte om een foto maar ik weet dat ook een groene kikker zijn privacy koestert. Hij zal absoluut niet naakt of in badpak willen poseren voor mij en helaas, dus ook niet voor de lezers. Om het concert niet te verstoren, houd ik mij op het bankje koest en geniet van zijn mooie, wel luide leven dat hij ongetwijfeld, kwakend koestert.

Hopelijk binnenkort zal ik, geknield of gehurkt, tegen al zijn privacy en theatrale regels in, mijn camera richten op het met veel nat omgeven podium waarop hij, de Luciano Kikkarotti van het waterleven, zijn huppende opwachting maakt en dan ben ik er als de kikke… eh… kippen bij om hem digitaal vast te leggen. Voor nu houd ik mij – op mijn bankje – vooral bezig met luisteren, luisteren en luisteren. Naar zijn heerlijk ontspannende kikkeracha…

Categorieën
Column

Bankontmoeting (3)

Terwijl de zon prikkelend schijnt, de ogen verblind worden door diezelfde zon en het verkeer op de Riekswèèg zich vooral niet aan de voorgeschreven snelheid houdt, schuift – op het zelfde bankje waarop ik vorige week de gezellige bankontmoeting had met de voeshamerhauwer –  opnieuw een, denk ik, om een praatje verlegen prater aan.

Het weer is het eerste gespreksonderwerp maar weldra gaat het over de teloorgang van de voor een dorp zo traditionele gebruiken. Ik vraag hem naar de traditionele gebruiken die hij bedoelt maar hij weet er niet direct eentje te noemen maar, zie en hoor. Wanneer de kerkklokken hun beierend gebimbam over de omgeving uitstrooien laat hij weten dat het hem pijn doet om ieder jaar te constateren dat de zomerkermis in Berg niet meer de kermis is die het vroeger was. Geen orkestjes meer in de cafés (cafés??), geen vertier meer op het kermisterrein, toen er nog geen marktplein was, tegenwoordig alleen nog een half handjevol verenigingen dat deelneemt aan de processie, weinig versierde straten en het ergste… geen vlaai meer eten op kermiszondag bij zijn familie. Al dat mooie, gezellige en smakelijke. Weg. Opgeruimd. Vergeten. Blijkbaar overbodig geworden. Niet meer nodig.

Zijn blik wordt treuriger en treuriger. Nostalgie twinkelt zachtjes uit zijn ogen. Hij lijkt op te veren, zakt weer terug. Ik vraag hem of hij zelf wel nog iets doet aan kermis. Hij haalt zijn schouders op, knikt ontkennend. Of hij wel nog mee zou willen helpen aan een soort van wederopbouw van de kermis, terug naar het feest wat de kermis indertied toch wel was? Hij knikt wederom ontkennend en mompelt zachtjes voor zich uit dat hij daar tegenwoordig geen tijd meer voor heeft. En eigenlijk ook geen zin.

Tjah…