Categorieën
Column

Bankontmoeting (6)

De zon brandt. Naast de schaduw. Mijn geluk? De bank onder de boom. In die schaduw. Die schaduw maakt het hedendaagse zomerse buitenleven in ieder geval een beetje draaglijker.
De benen gestrekt vooruit, de armen op de rugleuning gespreid en genieten. Genieten van het huidige droge groene, van de weinige vogelzang maar daardoor nog intensere stilte. Totdat…

Ja, daar komt hij aangebanjerd. Blootshoofd, mouwen opgerold, een grote zonnebril die zijn ogen bedekt, op zijn neus en een mond die eigenlijk nooit stilstaat.
De bank trilt wanneer hij zijn lijf op de balken onderzetter plaatst en hij steekt direct van wal: “Man, wat een hits. Neet miè normaal. Dat waor toen wál andersj.”
“Toen? Wat?”
“De zomer van – ik geloof – 1978.”
“Wat was toen?”
“Het OLS. In Schaesberg. Rège, jóng. Regen, niet meer normaal. Daar hebben wij met de Nachtwacht toen ook aan meegedaan. Aan dat OLS. Maar niet gewonnen.”
“Dat neem ik aan. Indertied zullen jullie ook niet allemaal scherpe schutters geweest zijn.”
“Mwah. Wij hadden toen al best een goede schietploeg. We hebben zelfs geen bölke gemist. Toen.”
“Huh? Geen bölke gemist? En toch niet gewonnen? Hoe kan dat?”
“Omdat we toen niet meegeschoten hebben. Haha. We waren op proef. Als gastvereniging.”
“Ah… daarom dat jullie toen geen bölke gemist hebben.”
“Klopt. Maar het weer was die dag bar en boos. De hele optocht was één grote regenbui. En we zijn een week later nog naar het kavelen geweest en wat denk je?”
“Eh… weer geen bölke gemist?”
“Man, toen regende het nog harder.”
“Oh…”
“Maar ik ga weer verder? Wandel je mee?”
“Neen, ik blijf nog even zitten.”
“Oké, dan tot… auwah…”
“Wat is er?”
“Daar viel me een bölke – ik denk een eikel – precies op mijn hoofd.”
“Dan heeft dat bölke jou ook niet gemist.”
“Haha, leuk. Hoiie!”
“Hoi!”

Categorieën
Column

Fruit

Mijn vrouw zit zwijgend te lezen. Met grote regelmaat beweegt haar rechterhand bijna automatisch naar een mandje. Een mandje kersen, Kordia’s. Gisteren gescoord door mij in een fruitautomaat in Vilt. Haar vingers graaien voorzichtig in het mandje, niet veel later verschijnt de hand met daarin een donkere kers met staartje en zweeft die hand naar haar mond om aldaar de kers te droppen en na kaalzuiging het pitje én het staartje in een klein bakje te laten landen. En dat allemaal zonder haar ogen van haar boek af te wenden.

En wat gebeurt er dan? Ja, dan verdwijnt haar hand opnieuw in het mandje maar… mijn gedachten verdwijnen acuut naar vroeger, naar indertied, toen – volgens mij – de Kordiasoort nog niet bestond. Toen bestonden en hingen er, volgens mijn herinnering, alleen keersje aan de bomen. Zeute keersje zonder naam, aan de hoge boom direct achter onze tuin in de wei van Broersj. En verder had je nog zoer keersje die ik vond – en na één keer proeven, nooit meer gegeten heb – op de Vilterhei. En dan waren er nog de roodgele vleisjkeersje. Lekker hard en heerlijk. Meer soorten had je, volgens mij, indertied, ergens in de vroege jaren 60 van de vorige eeuw, niet.

Die vroege jaren 60, makkelijke jaren dus. Wat kersen betrof, zoet, zuur en vlees. En eigenlijk wat alle fruit betrof.
Sjnièappele, sjtereppelkes, gouwe lieskes.
Hel en zachte père.
Greun en blauw proeme.
Dan had je het toen ook wel gehad. Wat ik me ook herinner? Dat fruit smaakte indertied ook prima. Zonder moeilijke namen. En het leuke bij de kersen was dat wanneer er twee staartjes met aan elk uiteinde een kers aan elkaar vastzaten, je die staartjes met kersen over je oor kon leggen. Dan had je oorbellen.

Ik moet glimlachen wanneer ik aan die tijd terugdenk, maar het lachen vergaat me wanneer ik het mandje voorzichtig naar mij toe trek. Leeg…

Categorieën
Column

Oognaald

Terwijl ik de kamer binnenwandel zie ik mijn vrouw ingespannen achter haar naaimachine zitten. Een groot stuk stof gekruld en gekreukt voor haar en met beide handen een punt onder een snel op en neer bewegende naald duwend. En gelijk verdwijnen mijn gedachten weer in de door de schedel bedekte hersenkist met herinneringen. Ik zie mijn moeder weer. Ergens begin jaren zestig van de vorige eeuw. Zittend aan een naaimachine, een donkere herinner ik mij, en met een of twee voeten de ‘treeplank’ onder de machine op en neer bewegend waardoor een naald met garen de stukken of stukjes stof met elkaar verbond.

Dat naaien an sich vond ik indertied eigenlijk niet zo interessant. Ik had meer oog voor het gepriegel van de handen van mijn mam wanneer het garen vanaf het rolletje bovenop de machine via allerlei omwegen – dat haar handen nooit verdwaald zijn in die wirwar van gaatjes en haakjes verbaasde mij toen en nu nog steeds… – bij de naar omlaag wijzende naald gevoerd werd en vervolgens door het minieme gaatje van die naald gepriegeld werd. Wanneer ik haar toen bezig zag, verscheen bij mij onbewust mijn tong tussen de lippen, alsof ik de inspanning leverde. Ik vond het iedere keer weer een prestatie van formaat.

Een aantal jaren later, op de middelbare school, boorde ik mijn allereerste verdienbron aan. Met het draads gepriegel van mijn moeder voor ogen legde ik mij toe op het invème van de draad garen door het gaatje van de naai- of borduurnaald. Vreemd? Misschien. Maar ik wist dat broeder Melchior, onze handenarbeidleraar, ging starten met een project van het maken van kunstwerkjes waarbij karton, naald en draad gebruikt ging worden. Het was een soort van borduren. Door de naald mét draad door het karton te drukken maakten we echt schitterende kunstwerkjes. Alleen… heel vaak verliet de draad het gaatje van de naald zonder dat de draad door het karton was meegegaan. En daar verschenen mijn verdiensten. Ik was zeer bedreven in het priegelen van die draad door het oog van de naald. Mijn klasgenoten genoten ervan wanneer ik zo’n puntje van het garen door het oog voerde en waren bereid iedere keer een dubbeltje voor die draad-door-het-oogvoering te betalen. Ik genoot ook. Totdat broeder Melchior hoorde van mijn illegale (illegale??) bijverdiensten. Hij dwong toen zijn leerlingen zélf het puntje door het oog van de naald te priegelen. Ik heb die katholieke broeder toen vloekend, weliswaar in stilte, rechtstreeks naar de hel gewenst…

Categorieën
Column

Schoonschrift

Twee jaar geleden (13 juli 2024) wijdde ik een column ‘Pieke’ aan meister Hindriks. De man die mij het schoonschrijven leerde. Aan die column moest ik denken toen ik op een nieuwssite las dat bochtjes maken met een pen bij een groot deel van de huidige jeugd niet meer lukt. Ze houden er verkrampte vingers en hand aan over. Bochtjes maken houdt in dat je verbonden schrijft. De letters aaneen, zodat je een woord vormt.

Omdat dat bochtjes schrijven tegenwoordig niet meer lukt, verschijnen er blijkbaar onleesbare letters en dus ook woorden op het papier. Kinderen blijken helemaal verkrampt te schrijven waardoor er stress ontstaat. Zelfs jaren schrijven met een pen levert onleesbare resultaten op. Tijdens het lezen daalden mijn gedachten dus terug naar die eerdergenoemde column en toen nog verder terug naar de diepste krochten van mijn herinneringen. Toen ik in de derde klas van de lagere school geen zin meer had in schoonschrijven. Ik schreef wel nog in bochtjes en bochten en ook nog wel verbonden maar door desinteresse (een woord dat ik toen nog niet kende) drukte ik veel te hard op de kroontjespen en werden de lijnen van mijn geschreven letters dikker dan dik, in een woord ‘lelijk’. Juffrouw T. vond dat lelijks maar niks en ‘beloonde’ mij met dagelijks huiswerk. Een half blad in een schrift vol schrijven, niet op school, in de klas. Maar thuis!

Iedere avond, van maandag tot en met vrijdag, moest ik thuis een half blad in een groen schriftje volschrijven. Na echt vele maanden oefenen werd mijn handschrift er niet echt beter op maar opeens zag ik het licht. Of ik op dat moment in de richting van de lamp boven de keukentafel keek, kan ik mij niet herinneren. Wel dat ik de pen tussen mijn duim en wijsvinger een halve slag draaide of rolde, ik dus niet meer met de gebruikelijke schrijfkant van de kroontjespen op het papier drukte, maar met de dunnere achterkant het papier beroerde waardoor het schrijflijntje een stukje dunner werd. Het resultaat was verbluffend. Ik kon weer schoon en fijn schrijven. Én leesbaar én … nog steeds verbonden.

’s Anderendaags leverde ik het resultaat in en tijdens de les riep juffrouw T. mij naar voren. Ik vreesde het ergste, nog net niet de doodstraf. Maar tot mijn grote verbazing vond zij het superfantastisch dat ik opeens zo mooi schreef. Als beloning hoefde ik niet meer thuis te oefenen. Ik heel blij, zij blij.

Daarom denk ik dat het beter is wanneer de tegenwoordige kinderen ook gestraft gaan worden met iedere avond een halve bladzijde schrijfoefeningen doen. Thuis, hè maar het hoeft, wat mij betreft, niet in een groen schriftje. Door de jeugd iedere dag een stukje vrije tijd te ontnemen zal het schoonschrijven uiteindelijk weer zijn opwachting maken want geloof me, op een dag kijken zij naar het licht van hun bureaulampje en… wordt de juf of meester een dag later heel blij en de jeugd ook. Wedden?

Categorieën
Column

Bankontmoeting (5)

Het was een zonnige woensdagmiddag, onlangs, toen ik hem ontmoette. Op het bankje. Onder het dichte bladerdak van de dikke boom. De, mijn, schurende droom. 

Met regelmaat lees ik de journalistieke artikelen over overlast in Zuid-Limburg. Ook las ik onlangs een column van een gerenommeerd columnist die vindt en vond dat columns (een beetje?) moeten schuren. Toen dacht ik, ja ik kan ook denken aan een idee dat ik al jaren heb en dat nu zou kunnen schuren in een column. Een idee om de geluid- en motoroverlast in Zuid-Limburg te beperken en de lokale activiteiten weer naar hoge(re) niveaus te tillen.

Welk idee? Simpel, alle motorisch verkeer in de weekenden verbieden, desnoods autoloze weekenden invoeren. Moet je ergens naar toe? Pak de fiets, ga te voet, oké, ieder uur zal er een bus rijden op vooraf bepaalde trajecten. Om het even heel lokaal te houden, de mij bekende lijndienst van indertied, van De Valk, Hoensbroek-Maastricht v.v., zou weer in het leven geroepen kunnen worden. Met dan nu elektrische bussen, die fabriceren weinig tot geen geluid dus wat wil de stilteliefhebber nog meer. De weekendshoppers die naar de stad trekken? Tjah, die hebben pech, de mannen misschien niet, die hebben geluk, maar die shoppers kunnen wat mij betreft weer terecht op dan twee, ja twee, koopavonden die er dan per week zijn. Gewoon alles omdraaien, niet meer alles ten faveure van de gemotoriseerden, neen, stilteliefhebbers first!

Ik weet zeker dat ik in het begin en zeker nu een hele berg shit over mij heen krijg. So be it! Op termijn zal iedereen gewend zijn aan het idee dat het weekend er is om in eigen stad of dorp, oké de eigen regio kan ook nog, te vertoeven. Mensen zullen elkaar weer gaan ontmoeten, wat later elkaar gaan herkennen, vriendschappen zullen ontstaan, opnieuw opbloeien. De forensen, zij die alleen naar het dorp trokken voor rust, komen helemaal tot rust en gaan hun woonomgeving ontdekken en ervan genieten. De lokale middenstand komt weer tot leven, tot hernieuwde bloei. Gesloten dorpscafés worden heropend, nu nog slapende verenigingen ontwaken uit hun eerder gedwongen slaap. Op het dorpsplein zie ik al een heuse muziekkiosk inclusief zjwik. Kleine en kleinere zelfstandigen worden weer groot, zeker in eigen dorp. De auto wordt overbodig. Er komt ruimte op je eigen oprit, in de straat. De straat wordt weer een ouderwetse wandellaan met daartussen wat fietsers, liefst en vooral geen fatbikes.

Voor veel mensen zal deze woensdagmiddagse droom, mocht deze ooit werkelijkheid worden, een nachtmerrie blijken te zijn. Echter, wanneer de lezer zich dan realiseert dat een nachtmerrie ook een droom is, valt het allemaal uiteindelijk reuze mee. Toch?

Categorieën
Column

Bankontmoeting (4)

Het ontwaken was vroeg. Maar ik heb het er, soms, graag voor over. Voor een wandeling, onder langs. Langs de Geul. Om gewoon weer eens, net als indertied, in de spaarzame stilte te genieten van die meanderende Geul en aanverwante natuurartikelen. Ja, ik ben al héél lang een fanatiek natuurliefhebber. En af en toe, soms wat vaker, lever ik graag iets van mijn nachtrust in voor vroeg natuurgenot.

Hopende en ook wetende dat ik dan altijd iets moois ontmoet. Al wandelend, al zittend. En ik ben dan ook helemaal niet verrast wanneer ik hem hoor. De groene kikker. Wel verbaasd, zittend op een bankje, langs die lieflijke Geul die soms uit haar voegen barst. Vandaag gelukkig niet. Maar mijn oren ontmoeten de vlijmscherpe, loepzuivere ochtendzang, van – ik noem hem – Luciano Kikkarotti.

Zijn vroegochtendlijke zang kikkert mij opwekkend op. Blaast de soms opduikende slaap uit mijn ogen en opent mijn oren. Wagenwijd.

Waarschijnlijk slechts gehuld in zijn groengrijze badpakje maakt hij zijn opwachting in mijn oors theater. Ik leg genietend mijn armen en de daaraan gekoppelde handen op de rugleuning van het bankje. Dat bankje, mijn tijdelijke onderzetter, niet bedekt met pluche. Een soort van meet and greet lijk ik te hebben. Met hem, die groene kikker, die het natuurtheater vult met zijn concertante zang. Zijn zang, die de omgeving bezwangerd en laat weten dat de natuur hier als een dictator regeert. Van mij mag het!

Mijn rug leunt tegen de rugleuning, mijn ogen zoeken – niet echt overtuigend– naar Luciano, de ochtendtenor. Ergens in het water zal hij gehurkt zitten. Mijn oren proeven de geur en het geluid van een zalige zonnige ochtend, terwijl de kikker van geen ophouden weet. Zelfs de vliegende omgeving, vaak ook goed in het geven van gratis ochtendconcerten, doet er hoorbaar het zwijgen toe. Het is het luide zingen dat de koene kikkerklok slaat en ik ben momenteel waarschijnlijk de enige die de waterige zang, genietend en vooral enthousiast ondergaat.

Mijn luisterende ik roept en smeekt in stilte om een foto maar ik weet dat ook een groene kikker zijn privacy koestert. Hij zal absoluut niet naakt of in badpak willen poseren voor mij en helaas, dus ook niet voor de lezers. Om het concert niet te verstoren, houd ik mij op het bankje koest en geniet van zijn mooie, wel luide leven dat hij ongetwijfeld, kwakend koestert.

Hopelijk binnenkort zal ik, geknield of gehurkt, tegen al zijn privacy en theatrale regels in, mijn camera richten op het met veel nat omgeven podium waarop hij, de Luciano Kikkarotti van het waterleven, zijn huppende opwachting maakt en dan ben ik er als de kikke… eh… kippen bij om hem digitaal vast te leggen. Voor nu houd ik mij – op mijn bankje – vooral bezig met luisteren, luisteren en luisteren. Naar zijn heerlijk ontspannende kikkeracha

Categorieën
Column

Bankontmoeting (3)

Terwijl de zon prikkelend schijnt, de ogen verblind worden door diezelfde zon en het verkeer op de Riekswèèg zich vooral niet aan de voorgeschreven snelheid houdt, schuift – op het zelfde bankje waarop ik vorige week de gezellige bankontmoeting had met de voeshamerhauwer –  opnieuw een, denk ik, om een praatje verlegen prater aan.

Het weer is het eerste gespreksonderwerp maar weldra gaat het over de teloorgang van de voor een dorp zo traditionele gebruiken. Ik vraag hem naar de traditionele gebruiken die hij bedoelt maar hij weet er niet direct eentje te noemen maar, zie en hoor. Wanneer de kerkklokken hun beierend gebimbam over de omgeving uitstrooien laat hij weten dat het hem pijn doet om ieder jaar te constateren dat de zomerkermis in Berg niet meer de kermis is die het vroeger was. Geen orkestjes meer in de cafés (cafés??), geen vertier meer op het kermisterrein, toen er nog geen marktplein was, tegenwoordig alleen nog een half handjevol verenigingen dat deelneemt aan de processie, weinig versierde straten en het ergste… geen vlaai meer eten op kermiszondag bij zijn familie. Al dat mooie, gezellige en smakelijke. Weg. Opgeruimd. Vergeten. Blijkbaar overbodig geworden. Niet meer nodig.

Zijn blik wordt treuriger en treuriger. Nostalgie twinkelt zachtjes uit zijn ogen. Hij lijkt op te veren, zakt weer terug. Ik vraag hem of hij zelf wel nog iets doet aan kermis. Hij haalt zijn schouders op, knikt ontkennend. Of hij wel nog mee zou willen helpen aan een soort van wederopbouw van de kermis, terug naar het feest wat de kermis indertied toch wel was? Hij knikt wederom ontkennend en mompelt zachtjes voor zich uit dat hij daar tegenwoordig geen tijd meer voor heeft. En eigenlijk ook geen zin.

Tjah…

Categorieën
Column

Bankontmoeting (2)

Banken. Ze lenen zich niet alleen om op te zitten, om even uit te rusten of te genieten van de omgeving. Neen, ze nodigen ook uit tot een praatje, mits er een praatgenoot ook op de bank plaatsneemt. En nodigt ook uit tot terugkijken, terugdenken, naar indertied. Dus was het een geval van toeval dat ik, gezeten op een bankje nabij dat hele hoge gebouw met toren aan de Riekswèèg, aangesproken werd door een terugkijker en dito prater? Ik denk het niet.

Het was alsof het zo moest zijn. De bank, de kerk en dat praatje. Over indertied. Toen de kermisprocessie nog volle straten trok, de straten nog volledig versierd werden en bovenal, honderden deelnemers.

Dat kermisprocessiebeeld van indertied is mijn bank- en tijdelijke gesprekspartner, zo blijkt, nog altijd bijgebleven. En zeker ook het nogal troebele beeld, dat hij ooit, na een eerste van verschillende kermisnachtjes, dat van de zaterdag op de zondag, op kermiszondag al om 06.00 uur – des ochtends! – uit de veren geroepen werd door vrouwlief omdat de straat versierd moest worden, want de processie zou die kermiszondag de straat aandoen. En dat hem, nog razelend van de eerder genoten spiritualiën, een grote voeshamer in de handen gedrukt werd waarmee hij de vlaggenpaaltjes in de grond moest hameren. Die zware hamer op zich was niet het probleem, wel het feit dat de straatgenoot die het vlaggenpaaltje vasthield, zijn handen direct onder de top van dat paaltje hield om het paaltje recht te houden, zonder daarbij rekening te houden met de razelende toestand waarin hij, de voeshamerhanteerder, verkeerde en de ook best wel wazige blik waarmee diezelfde hanteerder, naar de top van het paaltje keek.

Wanneer hij weer opstaat om verder te wandelen, merk ik dat hij er nog steeds beduusd van is dat hij de indertiedse vlaggenpaaltjesvasthouder, de hele, lange straat lang, niet op zijn handen of vingers geslagen heeft…

Categorieën
Column

Bankontmoeting (1)

Op een eenzaam bankje, ver van de bewoonde wereld, ga ik – voor een rustmoment tijdens een mijner wandelingen – even lekker zitten. Vogels twinkelen en twierelen in de haag achter mij en ik luister genietend, met gesloten ogen.

Die heerlijke rust, wordt plotseling verstoord door de stem van een oude bekende, net als ik, op leeftijd. Of hij naast mij mag komen zitten? Tjah, wie ben ik om hem dat te verbieden? En wat gebeurt? Een gesprek volgt. Een gesprek over indertied, toen wij samen deel uitmaakten van het illustere vierde elftal van de VV Berg ’28.

’t Veerde, in de volksmond. En al gauw komen we te praten over die ene speciale, die multifunctionele voorhoedespeler. Linksbuiten, spits, rechtsbuiten. linksbinnen, midvoor of rechtsbinnen als het moest. Maar nooit geposteerd in de achterhoede. Eigenlijk het liefst nog vóór onze eigen voorhoede, zodat hij maar geen gevaar in de eigen achterhoede zou stichten.

We zien hem allebei weer dartelen, dribbelen en huppelen over het veld, links, rechts, voor, achter, neen vooral voor ons. Hij liep en rende feitelijk altijd daar waar onze tactiek hem niet verwachtte. En zijn teamgenoten hem ook niet…

Hij, onze rocker, bluesfanaat. steevast aan komen brommend op zijn Zündapp, steevast net op tijd, om half elf bij de vertrekplaats nabij de telefooncel aan de Geulhemmerweg of om half twaalf bij de thuiswedstrijden op de Wippertse Heide.

Die ongekamde, steeds dunner wordende haardos, zijn bijna altijd aanwezige sjekkie en altijd die lach, die aanstekelijke lach die hij deelde met die andere legende, zijn lengtegenoot.

We zien hem opnieuw juichen toen hij zijn eerste – en naar later bleek, ook enige – doelpunt voor ’t Veerde scoorde. Vanaf de linkerpunt van het strafschopgebied, subtiel buitenkantje rechts (zijn specialiteit) onder de vergeefs schuivende keeper van Bunde 5 door. De bal net binnen de palen, net over de doellijn. Mijn bankgenoot en ik zijn het erover eens dat we zeker tien minuten nodig hebben gehad om hem toen te vangen, zo gek was hij door het dolle.

En ja, na de wedstrijd uiteraard – heel ludiek – handtekeningen uitdelen. Ik weet dat hij in 2018 jammer genoeg zijn leven verloor bij een ernstig verkeersongeluk. Dat wist mijn verraste gesprekspartner dan weer niet.

We vallen allebei stil en zien hem weer rennen, slingeren, dribbelen, passeren (passeren?) en na de wedstrijd… zijn sjekkie rollen.

Categorieën
Column

Bont

Je kunt het zo bont niet maken of ergens zitten er nog meer kleurtjes aan, zo luidt mijn variatie op een spreekwoord dat onlangs wel heel erg toepasselijk was. Een bont allegaartje. Variërend van gasten die indertied bewonderd werden in kinderwagen of wieg tot de indertiedse bewonderaars van de inhoud van die kinderwagen of wieg. Een hele lading generaties zocht en vond een weg door het bonte gezelschap dat staand, hangend, zittend, nippend, drinkend en pratend, ja, vooral pratend, luid pratend, de zingende kwaliteiten van digitale zangers en zangeressen naar de achtergrond drukte.

Van een feest van herkenning en soms ook weer niet, tot verbale, informatieve sessies en dat onder het genot van een wit gekraagd drankje of een droge witte. Daartussen de diehardse bobs en andere soorten van avondlijke geheelonthouders. Aldus creërend een bont tafereel van vriendschap, vriendelijk- en gezelligheid. Met op het etiket: ‘Zelf gekweekt.’

Staand en zittend achter mijn ronde uitzichtplek, een gecamoufleerde stehtisch waaraan ik ook kon sitzen, overschouwde ik het bonte geheel en genoot. De feestelingen genoten nog harder en ik bedacht ter zittende plekke, dat als de wereld er zo uitzag zoals hij deze bonte avond voluit straalde, er nergens meer oorlog was, alleen maar gezellige, vredige vooral bonte vrede.

Zou die niet te creëren zijn? Zo’n bonte vrede? Met drinken, zingen, praten en lachen. Veel lachen. Wat zou de wereld er mooi van worden. Mooi gaan uitzien. Dan zouden geen regeringen meer nodig zijn, geen geldverslindende en vooral dodelijke oorlogsmachinerieën. Alleen maar lang leve de lol en ja, af en toe een dagje werken voor wat pecunia voor de jongeren en de ouderen verder rusten op hun welverdiende lauweren, met behoud van pensioen en AOW. En verder, drinken, zingen, eten, praten en lachen. Veel lachen.

De aarde één bonte, vette smiley. Ik zag hem in gedachte al hangen, de aarde als lachende portier van de ruimtelijke Melkweg. Een brede uitnodigende lach, over de hele bolle breedte van die blauwe bol, de aarde. Ik werd er verdomd nog vrolijker van. Zo laat op de avond. Of vroeg in de nacht.

“Hee vrolijke ober, doe mij nog een colaatje, van de lightse soort. En schenk de rest van het bonte allegaartje ook nog maar eens in. Gaan we verder met lachen. En praten. En zingen. En dansen.”

Jammer dat er ietsjes later dan zoiets is als een sluitingsuur…