Categorieën
Column

Contant

Ik wandel naar de gele geldmaat om wat contante pecunia te pinnen, want soms is contant geld toch nog wel handig. Het pasje in de gleuf en geroutineerd druk ik op de noodzakelijke knop en knopjes, kies de juiste knop voor het gewilde bedrag en wanneer ik het geld uit de gleuf neem en – met medeneming van mijn pasje – de thuiswandeling aanvaard, keer ik, ook al wil ik het niet echt, weer terug naar indertied.

Terug naar zo’n veertig jaar geleden, schat ik. Toen ik voor de eerste keer, buiten het Heerlense hoofdpostkantoor, geld uit de muur ging ‘tappen’. Binnen kon dat ook, maar dan stond je, zeker in de middagpauze, in een ellenlange rij voor het loket. Mét een ingevulde cheque en het pasje. Buiten kon ik dat geld pinnen zónder cheque en zeker in het begin, stonden maar vier, hooguit vijf personen voor je. Nadeel was wel dat je dan, wanneer het regende, nat werd. Want toen was er nog geen klantvriendelijke overkapping. En of het een nadeel was, dat weet ik niet, maar je stond buiten feitelijk te kijk, in een soort van openbare etalage. In die rij leek je wel een wachtende bedelaar. Meewarige blikken en domme opmerkingen van voorbijgangers vielen je ongewild ten deel. Ook mij. Maar kijkend naar die voorbijlopende meewarigheid en ongewild luisterend naar de soms best wel flauwe opmerkingen, dacht ik dat hun wachtrijtijd ook ooit zou komen, want dat geld uit de muur halen was toch een soort van vooruitgang.

Een ander nadeel was het feit dat die flappentap niet altijd deed wat de geldbehoevende burger wenste. Dan weigerde die automaat gewoon alle dienst en moest je alsnog naar binnen. Achteraan aansluiten in de lange rij. Soms nat en soms… wanneer je eindelijk aan de beurt was, beseffend dat je geen cheque bij je had. Dus geen contant geld en erger… de middagpauze was voorbij, of in ieder geval bijna. Dan was het hollen om tijdig weer op kantoor te geraken. Zonder bruèdsje kiès of sjink, want onder andere daarvoor had je indertied dat contante geld hard nodig.

Categorieën
Column

Sjaakske

Ik heb een oppashond die heel goed luistert naar zijn roepnaam ‘Sam’. Sam is een brave labrador, gehuld in een pracht van een zwarte vacht. Sam is een geruisloze hond, hij blaft namelijk nooit of slechts heel, heel sporadisch. Dat realiseer ik mij wanneer ik met hem aan de wandel ben en hij opeens wél blaft. Eén keer “woef”. Ik schrik en hij ook, misschien nog wel heftiger dan ik. Schichtig kijkt hij om zich heen, ziet geen andere hond en beseft dan pas, denk ik, dat hij het was die blafte. Maar die blaf doet mij subiet terugkeren naar mijn jongste jaren, nog geen tien jaren oud. Toen er wel iemand blafte, zelfs op verzoek.

Ik liep indertied, met mijn papa op een zondagmiddag over de Langen Akker richting het voetbalterrein. Vanuit de verte kwam een in zwart gehulde persoon ons tegemoet. Naast hem een zwart-wit hondje. “Kijk,” zei papa, “daar komt Sjaakske Bletsj.”
Ik: “Wie?”
Papa: “Sjaakske Bletsj.”
“Rare naam. Waarom heet hij zo?”
“Hij heet niet zo, maar de mensen noemen hem zo.”
“Waarom?”
“Omdat hij kan blaffen als een hond.”
“Maar hij blaft toch niet.”
“Wacht maar even. Als hij wat dichterbij is, vraag je aan hem of hij wil blaffen.”
“Mag ik dat nu al vragen?”
“Nog even wachten. Wachten … ja nu!”
“Wat moet ik dan vragen?”
“Zeg maar gewoon: ‘Sjaakske, bletsj ‘ns.’ Doe maar.”
“Eh… Sjaakske, bletsj ‘ns.”
Sjaakske: “Wew, wew, wew.”
“Pap, hij blaft!”
“Zei ik toch.”

Sjaakske liep lachend langs ons, zijn hond volgde. Later heb ik – wanneer ik Sjaakske met zijn hondje tegenkwam – nog vaak gevraagd of hij wilde bletsje. En dat deed hij dan, “wew-wew-wew.”

Langzaam terugkerend naar het heden herinner ik mij ook dat Sjaakske regelmatig de kerk bezocht en hij devoot vooraan in de kerk zat terwijl zijn hondje trouw wachtend achter in de kerk bleef zitten. Zónder te blaffen…

Eigenlijk, héél eigenlijk zou een standbeeld van Sjaakske (met hondje), indertied toch een echte, misschien wel de eerste dorpsfiguur, niet misstaan, ergens in Berg en Terblijt…

Categorieën
Column

Bestelling

Met de hoofdtelefoon op de oren, want niet iedereen is gecharmeerd van mijn muziekvoorkeuren, luister ik genietend van het meesterwerk van Edvard Grieg: De Peer Gynt Suite. En ja, het zal door die muziek komen dat mijn gedachten weer eens afdwalen naar indertied. Naar een concert van harmonie Concordia in het toenmalige Bergse theater Lambergies. Ook al werd dat theater inmiddels uitgebaat door andere eh… uitbaters.

Hoofdregel tijdens een concert van de harmonie was dat er zwijgend geluisterd werd. Je moest, bij wijze van spreken (of luisteren?), een naald/speld horen vallen. Omdat de muzikanten muzikale geluiden voortbrachten mocht je dus, volgens mijn wijze van spreken, ook best een breinaald horen vallen. Maar dit terzijde. Alle plaatsen waren bezet en er werd zeer aandachtig en vooral zwijgend geluisterd naar de uitvoeringen. Welke stukken gespeeld werden? Vergeef me, dat weet ik niet meer. Wel ben ik er zeker van dat geen der stukken de Peer Gynt Suite was.

Het was indertied een mooie, zonnige zondagmorgen die uitvoeringsdag van Concordia. En de muziek was mooi. Ook toen al genoot ik een brede muzikale belangstelling. En die is er nog steeds. Van heavy metal tot opera. Van klassiek tot hardrock. Maar ik dwaal, in mijn ingezette dwaling uit alinea 1, verder af. Dus terug naar dat concert.

De muziek klonk ijl, bijna stil. De dirigent dwong met zijn baton en hand de ijle blazers tot nog ijlere voortbrenging der muzikale klanken. Het was bijna muisjesstil. Zo stil dat je nu wel een speld kon horen vallen. De luisteraars hielden onbewust hun adem aan, durfden niet eens meer uit te ademen, laat zitten of staan, in.

En opeens… uit het niets: “Twiè koffie, e pils en eine limmenaad!!” Keihard en staccato ricocheerde de verbaal doorgegeven bestelling door de zaal. De dirigent brak nog net niet van schrik zijn baton in tweeën, gebruikte hem nog net niet als speer, maar de plotse, helderharde bestelling brak helaas wel de ijle, bijnastille ban. Weg de indertiedse zonnige zondagmorgenbetovering…

Of de luide bestelling die ochtend nog bij de bestellers in de zaal is afgeleverd? Dat weet ik niet meer…

Categorieën
Column

Streepje

Druk bezig met het invoegen en het opnieuw redigeren van de columns die ik de afgelopen drie jaren voor Indertied en de lezers geschreven heb, passeert de column ‘Cel’. Een stukje over de indertiedse telefoon, inclusief cel en de toen noodzakelijke nummers om iemand telefonisch te bereiken. Tjah, wat gebeurt? Juist.

Ik, of beter, mijn gedachten dwalen weer eens terug naar lang geleden. Naar ergens begin zeventiger jaren van de vorige eeuw. Naar indertied, toen een bekende zich beklaagde over het feit dat hij al twee dagen een winkel in Maastricht aan het bellen was maar niemand in die winkel de telefoon oppakte. Ik weet nog dat die winkel Pieters-Dortu was en dat wij samen het telefoonnummer toen zijn gaan ontleden. Ontleden? Ja, ontleden. Hoe hij het nummer draaide. Draaide? Ja, draaide. Want toen waren tip- en/of druktoetsen nog niet algemeen. Men moest het doen met de draaischijf en de zich daarin bevindende gaten. Bovenop het vaak zware bakelieten toestel. Hij gaf me zelfs een kaartje met de naam en dat nummer. Het kaartje en het nummer ben ik kwijt. De naam dus niet.

Ik vond het vreemd dat hij geen contact kreeg met die zaak. Ik vroeg hem hoe hij dat nummer dan draaide, want ik had toentertijd, als allerjongste uiterst jonge junior-ambtenaar op kantoor wel al wat ervaring opgedaan met telefoonnummers draaien. Hij vertelde dat hij eerst het kengetal draaide, dat was toen ook al of pas 043. Daarna wachtte hij even en vervolgens draaide hij het abonneenummer. Maar de telefoon ging aan de andere kant, dus bij die kledingzaak blijkbaar niet over. Ik dacht even met heel veel deskundige rimpels in mijn voorhoofd na en wist hem uiteindelijk te vertellen waar de, waar zíjn fout zat. Hij vergat steeds het streepje te draaien! Het streepje tussen kengetal en abonneenummer. Zijn ogen werden groot toen hij me aankeek en ik verwachtte een tirade vanwege mijn flauwe grapje. Maar nee hoor. Hij bedankte me voor de tip en wist nu (dus indertied) waar het aan lag. Aan dat niet-gedraaide streepje. Opgetogen toog hij huiswaarts.

Toen ik hem twee dagen later naar zijn draaien wilde vragen, keurde hij mij geen blik waardig. Sterker nog, hij heeft daarna zeker een maand niet tegen me gesproken.

Ook niet telefonisch…

Categorieën
Column

Rotzooi

Wanneer ik langs de samengetroepte mensenmenigte wandel, valt mij iets op. Ja, niet de mate van inname van drank en het ruimschoots inhaleren van sigarettenrook. Neen, het is de achteloosheid waarmee overtolligheid op de grond wordt gekeild. Blikjes, viltjes, peuken, flesdopjes. Lukraak rolt het overtollige over het beklinkerde terras. En niemand die iets zegt…

Ja, wel doet. Een al wat (wat?) ouder iemand, die zich waarschijnlijk mateloos ergert aan de achteloosheid van de aanwezigen. Hij bukt, veegt, raapt, verzamelt. Zwijgend. En de aanwezigen zien het, zeggen niets. Gaan door met hun bijna blinde achteloosheid. Hebben geen medelijden met de oudere iemand. Zien de aanwezigheid van rotzooiverzamelpunten compleet over het hoofd of… het interesseert hun niet. Ja, wie de jeugd heeft, heeft de toekomst… en dus ook de rotzooi.

Was dat in mijn jeugd ook zo? Die achteloze wegwerping van overtolligheid? Van rommel? Van rotzooi? Hij zal er ongetwijfeld geweest zijn. Maar toen waren er maar weinig mogelijkheden waar je die overtolligheid kwijt kon. Hier en daar een vuilnisbakje, met de nadruk op ‘je’, aan een lantaarnpaal. Of dat kwam omdat de mens indertied netter was? Ik waag dit níet te betwijfelen.

Het is een tegenwoordig, dus normaal beeld. Tientallen prullen- en rotzooibakken langs de weg, op openbare plekken, ja zelfs bij sport- en andere vrijetijdsvelden. En toch… ze worden niet gebruikt, over het hoofd gezien. Of is het gewoon de voortschrijdende luiheid van de mens? Of gewoon de gedachte: Er is altijd wel een ander die mijn troep opruimt.

En het laat de mens dan ontzettend koud dat die ander een veel, héél veel ouder iemand is… Jammer!

Categorieën
Column

IJsje

Wachtend op mijn vrouw die voor ons allebei een ijsje is gaan scoren daal ik weer eens af. Via het kronkelpad dat leidt naar het diepe dal van vaak mooie zaken die herinneren aan toen, indertied, toen ijsjes niet echt dagelijkse kost waren. Het waren lekkernijen die je, in mijn geval, haalde bij Lambriks op nummer 14 bij ons in de straat. Of om de hoek bij medam Hamstra.

Lambriks had heerlijk schepijs. Wanneer de tijd er rijp voor was en dat was eigenlijk alleen in de zomer, werden er af en toe ijsjes gekocht. Dan werd door mij of een van mijn broers of zussen met een dan nog lege (grote) puddingkom lopend koers gezet naar nummer 14. Aanbellen, wachten en wanneer de vrouw des huizes opende, werd de kom overhandigd en de bestelling verbaal geplaatst. Zoveel ijsjes maal tien (een dubbeltje) of vijfentwintig (een kwartje) cent. Weer even wachten en dan kwam de vrouw des ijsjes weer naar de voordeur met de ijsjes ondersteboven in de kom. In het begin van mijn herinnering alleen maar wit (vanille?) ijs. Later ook chocoladeijs. Dan met de kom vol ijsjes als de wiedeweerga naar huis want ook toen al smolten de ijsjes wanneer ze niet tijdig op- of weggelikt werden.

Bij medam Hamstra was het ook aanbellen, vaak niet altijd. Want vaak zat zij op haar stoeltje links naast de voordeur en rechts van die deur stond de ieskas. Medam had altijd een vriendelijk woord voor de ijsjesafhaler en wist precies waar de dozen met verschillende soorten ijsjes zich in de ijskast bevonden. Welke ijsjes er toen waren? Wat ik me herinner, de dubbellikker, die je, voordat je de verpakking weghaalde, in tweeën brak, zodat een deel nog even achterbleef in de verpakking terwijl het andere deel intussen verorberd werd. Ook was er de split en het ijsje met chocolade omhulsel. Maar die waren (wat) duurder dan de dubbellikker en die dubbellikker gaf je het idee dat je twee ijsjes kreeg voor de prijs van een.

Later, in mijn Maastrichtse schooljeugdjaren, werd softijs mijn favoriete likker. Maar die soort heb ik echt moeten leren ‘eten’. In het begin van mijn softijsperiode verorberde ik dat ijs veel te snel. Wat ik, na het invoeren van een kwartje, uit de automaat dan kreeg? Buiten dat ijs dan. Fikse hoofdpijn! Maar uiteindelijk leerde ik dit soort ijs met beleid eten en is het nog steeds een van mijn favoriete zomerse versnaperingen.

Ha, daar is mijn vrouw. In haar handen een bakje met 3 bollen schepijs (citroen) voor mij, een bakje met 3 bollen limoncelloijs voor haar. De kosten? Een veel-veel-veelvoud van de prijs van indertied…

Maar wel nog altijd, ijskoud, heel lekker…

Categorieën
Column

Tandarts

Geduldig wachtend op mijn beurt bij de man die periodiek mijn vullingen in de gaten houdt, dalen mijn gedachten weer eens af in de mistige krochten tussen mijn oren, terug naar mijn vroege schooljeugdjaren, terug naar de, ook al, periodiek terugkerende, toen vooral enge man. De schooltandarts. Wanneer die zijn bus voor de poort aan de Slakweg parkeerde ging er een golf van angst door de rijen banken in de klaslokalen.

De schooltandarts, angstaanjagender dan de strengste schoolmeester, wellicht de bakermat van de ergste schooltrauma’s. Met een clubje van vier of vijf man liep je, met trillende benen over de speelplaats naar de bus. Alleen al die gang naar de bus. Alsof je naar het schavot liep.

In die bus. Zwetend wachten op je beurt. Je voorganger in die rare stoel, de handen knijpend in de leuningen. De tandarts, de man in wit, met de martelwerktuigen, met de boor. Het piepen. Verdoving? We kenden het woord geeneens. Je voorganger. Uit die stoel. Soms huilend, soms opgelucht, proberend te lachen. En steeds die woorden van de tandarts: “Gaank mer nao de plaots!”

Dan zelf aan de beurt. Bevend als een rietje. En het leek alsof die stoel meetrilde wanneer je plaatsnam in die stoel. Mond open. Weifelend. Twee vingers die je mond verder openwrikten. Dan die werktuigen. In je ooghoeken zag je ze verschijnen. Krassen, prikken, steken. En maar hopen, dat ze kwamen. De verlossende, luid gesproken woorden: “Gaank mer nao de plaots.”

Bij mij kwamen die woorden indertied altijd. Die beul heeft nooit geboord. In mijn schooljeugdjaren. Andere tandartsen later wel. En vreemd. Bij die andere tandartsen nooit ook maar enige angst gehad. Waar anderen zeven kleuren … ging en ga ik nog altijd zonder beverige trillingen naar de tandarts. Het enige wat ik van mijn huidige tandarts krijg is een hand bij binnenkomst en eentje wanneer ik de behandelkamer verlaat…

Categorieën
Column

Krant (2)

Daar zit ik dan. Nog steeds aan de keukentafel. Die reusachtige en naar indertied ruikende krant uit 1980 voor mij, als een tafelkleed gespreid op diezelfde tafel. Denkend aan indertied, toen ik als klein tienermenneke ook al die krant las. Eerst op mijn knieën zittend op een keukenstoel, toen ik weer wat groter gegroeid was, zittend op die stoel. Maar ook toen besloeg die krant al een groot deel van de tafel. En ik had niet het alleenrecht op die tafel. Dus verbande ik mijzelf naar de zitbank in de woonkamer. Zittend op die bank, de krant met moeite voor mij en omhoog houdend en ook nog proberen te lezen. Na enkele pogingen vond ik de oplossing door de krant op het zitgedeelte te leggen, zelf schuin zittend op de bank zo lezend en na iedere gelezen bladzijde die tegen de rugleuning leggend. De zijde aan de rugleuning bevatte meestal de advertenties en waar ik toen al – en dus nu nog steeds – een gruwelijke hekel aan heb. Aan advertenties en reclamemakerij. Daarom dat ik zo weinig mogelijk – liefst niet – naar commerciële televisiezenders kijk. Maar terug naar die krant. De krant op die manier lezend heb ik volgehouden totdat het tabbloidformaat uiteindelijk en gelukkig zijn intrede deed. Toen werd het lezen van de krant steeds draaglijker maar het dragen van een leesbril noodzakelijk, want kleinere letters.

En toch miste ik, na de intrede van het tabloidformaat, die grote krant nog wel node. Zeker wanneer een of meerdere vliegen mij tijdens het lezen aan het bemieren waren. Met die grote krant had je vaak twee vliegen in een klap. Met die kleinere krant opeens twee of meer klappen maar geen vlieg.

Maar gelukkig bestaan er vliegenmeppers en lees ik tegenwoordig alleen nog maar digitale kranten. Dat scheelt ook heel wat ruimte in de oudpapierbak.

Categorieën
Column

Krant (1)

Twee tassen met krantenknipsels, foto’s, kaarten en andere tot neuzen geëigende stukken voor en naast mij. Allemaal historische stukken waarin ik met genoegen mag neuzen. Herinneringen, heel veel herinneringen komen bovendrijven wanneer ik weer een foto of krantenknipsel ter hand neem. Maar het meest verbaasd ben ik wanneer ik opeens een krant tegenkom, een volledige krant uit 1980, tegenkom. Mieljaar, wat waren dat grote exemplaren indertied.

Ik vouw zo’n gezèt open en die beslaat gelijk meer dan driekwart van de toch niet kleine keukentafel. Ik roep mijn vrouw om haar deelgenote te maken van dit tafereel en wanneer zij het opengevouwene ziet, denkt ze gelijk hardop dat ik een nieuw kleed op de keukentafel gelegd heb. Zo groot. Die krant.

Dat we die gezètte toen überhaupt konden lezen. Hadden we indertied, bijvoorbeeld in de trein, langere armen? Hoe lang hielden wij het vol om zo’n krant omhoog te houden? Hebben we daar misschien de huidige schouder- en nekklachten aan overgehouden? Kan ik de uitgever of drukker alsnog aansprakelijk stellen voor dit pijnlijke ongerief? Allemaal vragen die ik mij stel wanneer ik poog die krant  – zittend op mijn keukenstoel – te lezen. Het lukt, zij het met de grootste moeite.

En hoe ging dat indertied in ons privékabinetje? Was dat poephokje toen groter, in ieder geval breder? Want daar werd vaak ook en meestal ongestoord, de krant gelezen. Of dat lezen van die gezèt in dat hokje te maken had met het feit dat de krant uit een drukkerij kwam en een poephok in feite ook een, zij het kleine, drukkerij is? Het zou zomaar kunnen. En die laatste vragende gedachte brengt me, bewust of onbewust, bij het gezegde dat veel vrouwen nog steeds bezigen: “Mannen kunnen geen twee dingen tegelijk.”
Nou dames, vroeger in ieder geval wel, zeker in dat poephokje annex privédrukkerijtje, namelijk de krant lezen en … juist. Probeer dat maar eens te ontkennen.

Maar hoe las ik de krant dan, héél vroeger toen ik nog een klein menneke was maar toch al heftig geïnteresseerd in alles wat zich in mijn en ieders wereld afspeelde? Dit wordt dus vervolgd…

Categorieën
Column

Sparks

In voorbereiding op de komende driedaagse dienstkameradendagen, dat is een reünietje met twee dienstmaten uit lang vervlogen dagen, ben ik bezig met het samenstellen van een koffer die mee op reis gaat. Sinds 2005 houden we dit jaarlijkse reünietje.  Die dienstkameraden zijn, Reinder uit Midwolda, Kees uit Spijkenisse en ik. Altijd gezellig en leuk om de herinneringen van indertied weer op te halen en te verfrissen.

Uit de radio klinken hits uit de jaren sixty en seventy. Dus muziek die nog echt klonk als muziek. En daar klinkt opeens – hou je vast – This town ain’t big enough for the both of us, een hit van The Sparks uit 1974. En gelijk dwalen mijn gedachten af naar mijn diensttijd die begon in 1974 en eindigde in 1975. En The Sparks maakten met hun aanstekelijke muziek deel uit van die diensttijd. Zeker toen ik tot de vaste bemanning van het marinekamp Fort Erfprins in Den Helder behoorde.

Dan verruilde ik op dinsdagavond, na gedane arbeid, het Fort voor de stad. Dan toog ik steevast naar het centrum, naar café De Paardestal. In dat café stond een grote jukebox met loeiveel singletjes maar slechts ééntje kon mij bekoren. Juist, komt-ie weer, This town ain’t big enough for the both of us. Voor één gulden kon je 9 plaatjes selecteren en wat deed ik? Weer juist, ik spendeerde menige gulden aan 9 maal, komt-ie weer, This town ain’t big enough for the both of us. Het enige nadeel was dat ik daarvoor wel na iedere weergave van het liedje terug naar de jukebox moest om de code van het plaatje opnieuw in te toetsen. Anders draaide de jukebox slechts éénmaal dat lied.

Vaak eindigde mijn bezoekende avond met het dringende verzoek: ‘Godverdikkie kerel, zet eens een andere plaat op of pleur godsamme op’. Dan wilde ik mij met, toen nog, jeugdige overmoed wel eens omdraaien naar de klager en met stemverheffing roepen: ‘Heej joe, dis kaffee eent bik ienof for de boos of us’ en nam daarbij dan een stoere misschien wel uitdagende houding aan. Maar, niet gek, die stoere houding verdween direct wanneer ik de getatoeëerde én meestal gespierde (boven)armen van de aangesprokene zag.

Dan volgde van mijn kant een supersnelle gang naar het buffet met het vriendelijke en héél erg dringende verzoek aan de kastelein om af te rekenen. Voor de aangesprokene het sein om te blijven zitten en mij gelegenheid te geven om de portemonnee te trekken en na betaling als de wiedeweerga het cafeetje te verlaten.

Mijn indertiedse heldhaftigheid doet mij nu glimlachen…