De zon brandt. Naast de schaduw. Mijn geluk? De bank onder de boom. In die schaduw. Die schaduw maakt het hedendaagse zomerse buitenleven in ieder geval een beetje draaglijker.
De benen gestrekt vooruit, de armen op de rugleuning gespreid en genieten. Genieten van het huidige droge groene, van de weinige vogelzang maar daardoor nog intensere stilte. Totdat…
Ja, daar komt hij aangebanjerd. Blootshoofd, mouwen opgerold, een grote zonnebril die zijn ogen bedekt, op zijn neus en een mond die eigenlijk nooit stilstaat.
De bank trilt wanneer hij zijn lijf op de balken onderzetter plaatst en hij steekt direct van wal: “Man, wat een hits. Neet miè normaal. Dat waor toen wál andersj.”
“Toen? Wat?”
“De zomer van – ik geloof – 1978.”
“Wat was toen?”
“Het OLS. In Schaesberg. Rège, jóng. Regen, niet meer normaal. Daar hebben wij met de Nachtwacht toen ook aan meegedaan. Aan dat OLS. Maar niet gewonnen.”
“Dat neem ik aan. Indertied zullen jullie ook niet allemaal scherpe schutters geweest zijn.”
“Mwah. Wij hadden toen al best een goede schietploeg. We hebben zelfs geen bölke gemist. Toen.”
“Huh? Geen bölke gemist? En toch niet gewonnen? Hoe kan dat?”
“Omdat we toen niet meegeschoten hebben. Haha. We waren op proef. Als gastvereniging.”
“Ah… daarom dat jullie toen geen bölke gemist hebben.”
“Klopt. Maar het weer was die dag bar en boos. De hele optocht was één grote regenbui. En we zijn een week later nog naar het kavelen geweest en wat denk je?”
“Eh… weer geen bölke gemist?”
“Man, toen regende het nog harder.”
“Oh…”
“Maar ik ga weer verder? Wandel je mee?”
“Neen, ik blijf nog even zitten.”
“Oké, dan tot… auwah…”
“Wat is er?”
“Daar viel me een bölke – ik denk een eikel – precies op mijn hoofd.”
“Dan heeft dat bölke jou ook niet gemist.”
“Haha, leuk. Hoiie!”
“Hoi!”
