Categorieën
Column

Evolutietheorie

De dagen lengen nog steeds in de avond. Met dank aan het eind maart vooruitgeschoven uur. Merels en lijsters zingen de boorden van het dak. Ik wandel door de straat, geniet zwijgend in de avondval. Een natuurse symfonie van the rocking birds boeit mij enorm. Ik zoek en vind de solisten, op de hoogste treden van de podia, als je bomentoppen zo mag noemen. De merel zingt een ietsje lijzig, een gevleugelde Adèle, althans zo lijk ik hem te horen. De lijster is dan weer wat kwieker, heeft een breder repertoire. Hipt af en toe van boom naar boom, balancerend op een balk van noten. Althans, zo wil ik het avondtafereeltje zien.

Maar het zijn niet alleen de merel en de lijster, het is een aardig gemengd vogelkoor. Mijn oren maken, al wandelend, best wel drukke tijden door. Een tweebenige tegemoetkomer bekijkt mij wantrouwig. Wat moet een kale krullenbol, in joggingbroek én op slippers, nog buiten na de bijna-zonneval? Zo zie ik hem denken. Ik knik hem goedenavond, hij zet een pas opzij. Heeft hij schrik of geen oor voor de hooggezeten straatse muzikanten? Hij moest eens weten hoe zeer ik geniet van al die concertante zang.

Ik bereik het einde van de straat en keer om. Ik hoor de straatmuzikanten nu van de andere kant. Eigenlijk, héél eigenlijk zouden er ook nog ballerinase vogeltjes moeten zijn die op de tonen van die muziek een spontaan straatballet zouden doen. Een show voor oog en oor. Het zou mij niets verbazen wanneer de vogels op enig moment, ver in de toekomst zouden evolueren tot volwaardige straatartiesten met een dans- én zingend repertoire. Goh, wat zou ik dat nog graag mee willen maken. Mijn eigen evolutietheorie. Ik moet zelfs glimlachen om mijn waanidee.

Ik keer weer terug op aarde. De westelijke einder kleurt, blauw grijst en neigt naar zwart. De muzikanten pakken langzaam hun avondrepertoire in en gaan weldra onder zeil. Ik wandel mijn woonst binnen en loop gelijk door naar de binnentuin. Om ook daar nog een voorzichtig blikje te werpen, nu ook de avondtemperatuur langzaam stijgt.

Een kleine, pimpelende mees, op twee pootjes staand op het nestkastje aan de boom tegenover de woonkamer zingt luid zijn – zo lijkt het – protestlied. Is hij de bewoner van de nestkast? Ik weet het zeker wanneer ik de kast, zijn thuis, te dicht nader. Zijn zang wordt harder, hij maakt zich groot. Begint te grombelen, zoals ik dat ook weleens doe. Vandaar dat ik hem begrijp. Ik zet twee passen achteruit, zijn protest zwakt af en helemaal wanneer ik de deur achter mij sluit. Als een duveltje springt hij in het houten doosje dat ik dus nestkast noemt. Het protesterend zangertje heeft zich in mijn gedachte al een naam verworven. Armand, de lang- en roodharige protestzanger van indertied.… Alleen, de haarkleur van de pimpelmees doet (nog) niet mee…

Maar als het aan mijn evolutietheorie ligt, dan dan… krijgt de pimpelmees een vuurrood, langverig koppie.

Door Edmond Ackermans

Edmond Ackermans

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *