Categorieën
Column

Brakkeberg (2)

Die ooit door mij zo vervloekte Brakkeberg. Stijgen deed en doet hij al vanaf de voet. Wanneer ik – nog rustig zittend in het zadel – vol bewondering omhoog naar het trotse kasteel keek en plotseling geconfronteerd werd met die eerste bocht naar rechts en dan al die ferme stijging. Ik heb indertied, in die klimmende beginjaren op een gegeven moment nauwere fietsschoentjes gekocht zodat de moed mij niet meer in die schoenen kon zakken. Want na die bocht en die volgende blinde bocht naar links lag de stijging open en bloot. Niet voor het grijpen maar voor het stijgen. Steil stijgend. Omhoog.

Mijn longen hebben daar vaak hun 2e, 3e en misschien wel 4e adem moeten zoeken eer ze hem vonden. Maar wat was het ook soms mooi. Wanneer ik in de herfst, wanneer de zon al in het westen de rug werd toegekeerd door de aarde, ik omhoog peddelde. De gouden stralen die dan piepten door het dunner wordende lover, soms in combinatie met een licht opstijgende avondnevel, om stil van te worden, ware het niet dat mijn adem dan naar lucht zocht en de stilte daardoor, hoewel dichtbij, ver weg was.

Ik heb er ontelbaar vaak gewandeld. Omhoog en omlaag. En genoten van de soms zeldzame plantjes. Kleine vlindertjes bewonderd. Ik vergeet nooit de euforie die door mijn lijf gierde toen ik voor het eerst in mijn, toen nog jonge leven, daar kennismaakte met het prachtige oranjetipje. Ik heb er zwoegende, hard hijgende, langzaam klimmende fietstoeristen aangemoedigd. En als hart onder de riem, de kreet: ‘Kom op, nog maar twee kilometer’. Maar dat deed ik alleen wanneer ik dalende was. Stel je voor dat ik omhoog wandelde en bovenaan geconfronteerd werd met zo’n uithijgende zwoeger… Die zou dan misschien niet voor rede vatbaar zijn geweest en bij gebrek aan adem zijn vuisten hebben laten spreken.

Maar mooi blijft hij. Die Brakkeberg. Ieder jaar keert hij weer terug in de Amstel Gold Race. Ben benieuwd of dit jaar ook een drone mee afdaalt. Dat zou – denk ik – fantastische televisie opleveren. De neuzen van de renners op het stuur, handen onderin de beugel. Die scherpe bocht onderaan naar links, stukje parkeerplaats meepikken en door… maar nog mooier zou natuurlijk zijn wanneer ze hem zouden moeten beklimmen. Na 265 kilometer. Dan zouden de renners misschien ook eens voelen hoe ik mij heb gevoeld, al die keren van alweer lang geleden, van indertied.

Categorieën
Column

Brakkeberg (1)

De Brakkeberg. Ik heb hem in mijn sportieve en werkzame leven duizenden keren opgefietst. Hem honderden keren ook hartgrondig en hardmondig vervloekt. Zeker wanneer het regende, of stormde. Of bij tropische hitte.

Vervloekt heb ik hem, vooral in de beginjaren tachtig van de vorige eeuw. Toen ik op mijn mountainbike die berg met de poëtische naam Vogelzangweg, begon te beklimmen. Meestal tot bij de oprit van toen nog hotel Kasteel Geulzicht. Verder reikte de spierkracht in mijn benen niet om over mijn klimsouplesse maar helemaal niet te spreken of, in dit geval, te schrijven. Steeds trapte ik mij helemaal stuk. En direct aansluitend, op mijn adem.

Het werd uiteindelijk een gewoonte. Proberen die oprit te halen en vervolgens af te stappen en te voet verder omhoog. Mijn mountainbikeje ter rechterzijde. Voort- en omhooggeduwd door twee handen. Totdat ik – al lopende ende zwoegende – een wandelende afdaler tegenkwam en die sprak bewonderend: “Sjoane fiets, jóng.”
Ik, trots: “Danke!”
Hij, geniepig: “Jaomer totste de nève löps.”
Ik, …: “Eh…”

Een dag later – de woorden van hij hierboven hamerden nog altijd keihard door mijn hoofd – begon ik aan de beklimming en en… wonder tot bovenaan wonder, ik haalde de top! De afslag naar de Langen Akker. Al hijgende ende puffende. Dat wel. En met een hartslag waarschijnlijk boven de 200. Maar met een overvolle portie voldoening. En vanaf die dag ben ik tijdens die beklimming nooit meer afgestapt en nu nog steeds niet, alleen doe ik die beklimming tegenwoordig met een flinke lading e-bikese ondersteuning.

En nu vraag je je misschien af waarom ik niet de Cauberg, de Daelhemmer of de Geulhemmer opfietste. Nou simpel, de Brakke was de kortste om omhoog te lopen en ik kwam er meestal niemand tegen. Behalve dan die ene iemand… indertied.

Categorieën
Column

Knikkeren

De knikker of in goed dialect, de huuf. In mijn jonge eersteklassige en ook daarna nog een lange tijd, een klein rond glazen speeltje waar mijn vriendjes en ik menig uurtje, meestal op woensdagmiddag, zoet mee waren. Een hak van de schoen in de strook drek  in de straat tussen voortuin en sjtóp, een meestal niet echt rechte startstreep, getrokken met een takje of een steen en dan aan de gang, met knikkeren.

De echte knikkeraars klemden de knikker tussen de nagel van de duim en het tweede kootje van de wijsvinger, brachten die duim op spanning tegen het tweede kootje en probeerden dan zo gedoseerd mogelijk die knikker bij of liever ín het huuvekuulke te schieten. De mindere knikkergoden, zeg maar, de amateurs en dat waren meestal – sorry meiden van toen –toch de meisjes, klemden de knikker gewoon tussen de duim en de wijsvinger en knepen de huuf dan als het ware weg. Ver weg. Van het kuulke. Dat leverde steevast meewarige blikken op. Niet dat wij het woord meewarig toen kenden, maar dat woord leerden wij door kennis, opgedaan tijdens ons na-het-knikkerse leven.

Uren waren we zoet met dat knikkerspel, met die kleurige glazen – toen naamloze – bolletjes. Je kon winnen en verliezen. Hoe vaker je knikker als eerste in het kuulke terechtkwam, des te sneller was je knikkerzak, de huuvebuul vol.

Die knikkerzak. Meestal een door de mam genaaid stoffen zakje dat je dichttrok met een koordje. Ik heb jarenlang plezier gehad van zo’n buul. Het was een glimmende roze. Volgens mij genaaid uit het restant van wat ooit een bedsprei was, maar dat weet ik niet meer zo zeker. Wat ik wel weet, is, dat, werd de knikkerzak van een ‘tegenstander’ te leeg, dan werd dat buulke door de anderen weer gewoon gevuld met eerder gewonnen huuve. Want daarom waren we vriendjes.

En dat kuulke in de drek? Dat verdween indertied gewoon. Door een regenbui of door een flinke schoffel van de kantonnier, die met enige regelmaat die drekkige stroken ontdeed van onkruid. En dus ook van huuvekuulkes

Categorieën
Column

Bèr

Bestaat hij nog? De timmerman van indertied. De echte sjrienewèrker. De vakman. De tovenaar met hamer en spijker. De virtuoos met schroef en draaier. Die vraag stelde ik mij meer dan eens, toen ik afgelopen week mijn ontkennersoog liet dwalen over tekeningen die duidelijk moesten maken hoe ik een dressoirtje in elkaar moest timmeren, neen beter, in elkaar moest schroeven. Zónder dat dat vierpotige bouwwerkje binnen de kortste keren in elkaar zou donderen.

Zuchtend en steunend, mij achter de oren krabbend, het puntje van de tong nog net niet afbijtend. Knielen, bukken, opstaan, denken, passen, meten en weer doorgaan. Mijn gedachten zochten zomaar steun bij Bèr, de ooit buurmannelijke tovenaar en virtuoos die eigen- en alleenhandig heel handig van winkelmeubilair een heuse keuken wist te maken. Die van wat planken en latten in een mum van tijd een wandmeubel in elkaar zette. Inclusief hang-, schuif-, sluit- en dichtwerk. Die waarschijnlijk – mocht hij nog leven – met een grote glimlach maar ook met goede raad en meer nog, met heel veel ondersteunende daad, mij zou helpen, mij zou steunen in mijn strijd met schroef en spijker. Een handleiding, getekend of geschreven, hij zou die niet nodig gehad hebben. Ik dus wel. En dan nog… brouw ik er niets van, laat staan (en niet in elkaar donderen) timmeren en schroeven.

Ik kijk en denk. En zucht. Ik pas en meet. En zucht. Ik schuif en duw. En zucht. Vrouwlief steunt mij. Met schouderklop, opbeurende woorden en op zijn tijd, een glaasje fris. Ik roep en schreeuw tussendoor in stilte, om Bèr. De sublieme, zwijgende sjrienewèrker van weleer. Die in een vloek en een zucht dit meubel op de poten zou hebben gezet.

Schrijnwerkers. Worden ze überhaupt nog opgeleid? En zo ja, waar hangen ze dan in vredesnaam uit. Waarom laten ze mij ploeteren? Met een, althans voor mij, bijna onbegrijpelijke handleiding? Waarom laten ze mij stuntelen? Met spijker en hamer? Met schroef en draaier?

Dat het dressoirtje uiteindelijk toch nog op zijn pootjes terechtkwam, was te danken aan de vele, volhardende uren die ik aan het project besteedde en de ingeroepen, waardevolle hulp van schoonzoon die het hang- en sluitwerk uiteindelijk op de juiste wijze liet werken.
En de voorgespiegelde circa 1½  uur opbouwwerk in de handleiding? Pure misleiding, volgens mij…

Categorieën
Column

Kaatseballen

Het waren – in mijn jonge jeugd – echte artiesten. De ook al jonge meisjes op de speelplaats. Of in de straat. Of om de hoek. Die met ballen kaatsjelde. Tegen de blinde muur van huis, school of schuur. Met twee ballen, met drie, ja zelfs met vier ballen. Zonder dat die ballen vielen. Als een soort van handmatig gestuurde treincoupeetjes vlogen ze – zeker die vier ballen – achterelkaar tegen de blinde muur, daarheen gedirigeerd door twee snelle handen die deden wat mijn ogen niet bijhielden.

Vol bewondering heb ik vaak staan kijken. Naar de gedurfde trucs die de meisjes uithaalden met die ballen. Een bal tegen de muur, de andere omhoog, de volgende opnieuw tegen de muur de daaropvolgende weer omhoog. En door. Ballen tegen de muur, snel handjeklap, tegen de muur, snel handjeklap. En door. Met de rug naar de muur, het hoofd achterover en ballen maar. En de ballen vlogen, als computer gestuurde projectieltjes van muur naar hand, naar andere hand en weer naar de muur. Of via de grond, of onder een been door. En volgens mij deed ene Karel ook mee. In een of meer liedjes, maar daar heb ik geen actieve herinnering meer aan, om even heel modern te zijn.

Zelf heb ik het ook tientallen keren geprobeerd maar het lukte maar niet. Waar ik dan wel weer heel goed in was, was het steeds opnieuw bukken om de ballen op te rapen. Daarin was ik een echte prof. Zij het een onbetaalde. Ik was ook altijd, wanneer we als jongens stiekem – want het was indertied toch echt een meisjessport  – eens kaatsjelde, de eerste die af was. Misschien dat ik daarom tegenwoordig, tot grote vreugde van mijn vrouw, zo’n kei ben in het doen van de dagelijkse afwas. Maar dit geheel terzijde.

Kaatsjele, je ziet het niet meer tegenwoordig. Zou het niet eens leuk zijn dat er eens een wedstrijdje kaatsjele wordt georganiseerd? Misschien met Koningsdag. Fietsen de kinderen van noe hun optocht en kaatsjele de meisjes van indertied hun wedstrijd. Met twee, drie of meer ballen. Lijkt me geweldig. En ja, ik ga níet de ballen oprapen…

Categorieën
Column

Videke

Zij is driftig bezig in de keuken. Ik zit verwachtingsvol aan de tafel en kijk aandachtig en geïnteresseerd. Hoe zij roert, proeft, strooit en proeft. In en uit de ketel. Ik zie het rode ovenlampje. Het gaat uit, wat later weer aan om daarna weer te doven. Maar dan gaan ze in de oven. De bakjes en de dekseltjes. Terwijl het ritueel van roeren, proeven, strooien en proeven doorgaat gaat mijn gedachte terug. Terug naar lang, lang geleden toen er nog een kermis bestond en kermis gevierd werd. Een heuse kermis, indertied in Berg en Terbliet.

Ik zie op zaterdag de immense ‘sophin’ weer drijven in het zacht pruttelende water op het fornuis. Ontdaan van kop en tenen was het een heuse kip zonder kop. Af en toe ging de deksel van de soepketel en de schuimspaan zachtjes maar vooral voorzichtig in en net onder het oppervlak van het pruttelende water om het oppervlaktevet af te romen. Totdat na enkele uren de kip gaar gekookt was en op een groot bord ongegeneerd naakt lag af te koelen. En bij gebleken koelheid werd het mes en/of de schaar erin gezet of werd de kale kip geplukt.

Wat er daarna allemaal gebeurde met de stukjes kip heb ik eigenlijk nooit van dichtbij meegemaakt. Maar kermiszondag stond er opeens – ná de ‘zóndese sop’ – de ketel met uitbundig gevulde kippenragout op tafel en verschenen de bakjes mét deksel, warm uit de oven, op ieders bord. Een flinke flats ragout in en vooral ook naast en rond het bakje, een dekseltje erop en smullen maar. Daarna volgde dan nog het hoofdgerecht en aansluitend het toetje.

Wanneer mijn vrouw mij zo’n ruimschoots gevulde en overlopende pasteibakje inclusief dekseltje, voorschotelt, ontwaak ik uit mijn gedachte en val ik nog net niet aan op deze vroegere, heerlijke kermisattractie en al tijdens het nuttigen van deze pasteitelijke lekkernij vraag ik mij af hoe ik vroeger zo’n héél kermisdiner (zondagse soep, overlopend videke, hoofdgerecht en toetje) tot mij heb kunnen nemen. Want alleen al één zo’n pasteitje was en is, nog steeds, machtig maagvullend!

Categorieën
Column

Hetty

Ik wandel over de Scharnerweg, een lange straat door het oostelijk deel van dat stadje daar onderaan de Rasberg. Een voor mij niet alledaagse wandeling inderdaad, want mijn voorkeur gaat uit naar de onbebouwde kommen, beter bekend als natuur. Maar soms moet wat moet en probeer ik mij rechtop te houden op de ongelijke liggers (trottoirtegels) van de Scharnerweg. Een stadsbus passeert mij, slaat via de rotonde af naar de Bergerstraat en mijn oog ziet in een flits links ‘Aldegondaplantsoen’ als straatnaambordje. De bus en Aldegonda. Ooit een twee-eenheid in mijn vroege schooljeugdjaren.

Villa Aldegonda was het indertied nog en dat witte, statige gebouw stond aan de Bergerstraat. Ik weet zelfs nog het huisnummer, zo vaak zat of stond ik in de meestal overvolle bus terwijl die bus, zo’n blauw-gele van ‘’De Valk’, voor de villa stopte. Huisnummer 164. Vaak heb ik die bushaltenaam horen omroepen in de bus, door Hetty, de luidruchtige, aan haar spraak te horen, rasechte Maastrichtse conductrice. Met haar bruinzwarte geldtasje dat bungelde aan haar cross-her-heartriem. De riem die kruiselings haar voorkomen zowat in tweeën sneed. Haar voorkomen dat voorkwam dat bij een noodstop staande passagiers zich zouden kunnen bezeren wanneer zij voorwaarts door de bus zouden stuiteren. Niet dat dat ooit gebeurd is, maar die gedachte was er bij mij toen al en gegarandeerd ook bij de vele, andere busgebruikers.

De geüniformeerde conductrice, die, zoals al gememoreerd, luid vroeg om het plaatsbewijs. Of een teer geel of wit buskaartje uit haar houten buskaartjesmap toverde, na eerst met haar tong een harer wijsvingers te hebben bevochtigd. Daarna klapte ze met een ook al luide klap de map dicht en werd het kaartje overhandigd en ging de geldtas open. Ontelbaar de keren dat ik die handelingen gezien en meer nog, gehoord heb. Wanneer ik opstapte aan de halte ‘Berg-Kerk’. Vervolgens richting ‘Berg-Kapel’. En dan ging het in snelbusvaart de Rasberg omlaag, Hetty zat dan inmiddels – na gedane knip- en andere werkzaamheden – op haar vaste plekje bij de voorste deur van de bus en het bordje ‘Niet spreken met den bestuurder” werd door haar dan stee- en zitvast genegeerd. Als jong jochie dacht ik altijd dat zij dat mocht omdat zij bij de bus hoorde. Bushalte ‘Kruispunt Amby’ (links bevond zich café Aux Quattre Bras) werd aangedaan en vervolgens was daar op huisnummer 164 en in gouden letters op de uitbouw van de voorgevel ‘Villa Aldegonda’. Dus zowel een villa als een bushalte.

Villa Aldegonda. Niet bestand tegen de vooruitgang en vooral de vlammen, werd het gebouw zo’n twintig jaar geleden gesloopt en vervangen door een groot appartementencomplex. Ik hoor – wanneer ik naar het bordje ‘Aldegondaplantsoen’ staar – Hetty weer omroepen ‘Villa Aldegondaaa’ en hoor ik ook weer het voorzichtige piepje van zij die op een van de stopknopjes boven de zitplaatsen drukten.

De villa is weg, de ‘De Valk’-bussen zijn verdwenen, net als de buskaartjes van weleer, net als de geldtasjes en de houten buskaartjesmap. Maar vandaag is er wel nog de herinnering. Aan de bushaltes ‘Berg-Kerk’, ‘Berg-Kapel’ en dus ook aan ‘Villa Aldegonda’. En, niet te vergeten aan Hetty…

Categorieën
Column

Cel

04406. Wie kent dit (vreemde?) getal nog? Ja, het is geen geheime code. Van een of andere kluis of toegangsdeur. Het was wel een telefoonnummer, of beter, onderdeel van een telefoonnummer. Het kengetal. Van de plaats waar je indertied naartoe moest bellen. Wanneer ik bijvoorbeeld vanaf mijn Maastrichtse werkplek moest bellen met mijn ouders in Berg en Terblijt dan moest ik eerst een buitenlijn vragen aan de telefonist (via telefoonnummer 9) en eens ik die lijn had, draaide ik in de jaren zeventig van de vorige eeuw achtereenvolgend de nummers 04406 (dat was dus het kengetal van Berg en Terblijt) en dan volgde nog het abonneenummer 5101. En dat ging toen niet middels drukken op wat toetsen. Neen, wij maakten gebruik van een schijf, een kiesschijf. Die bevond zich midden op de zwarte bakelieten kantoortelefoon. En als ik geluk had en dat had ik toen ook al, was er iemand thuis en werd de hoorn in de Pendersjsjtraot opgenomen en mijn telefoontje beantwoord.

Was ik niet op kantoor maar ergens buiten en moest ik telefonisch contact hebben met mijn ouders, dan moest ik eerst op zoek naar een telefooncel. Voor de jeugdige lezers: Dat was een soort van gekanteld aquarium dat zo groot en hoog was dat een volwassene er rechtop in kon staan. In dat soort aquarium, met heel handig, een deur die je kon openen en dichten, hing een groot grijs of zwart spreekapparaat met een zware, zwarte hoorn die je naar je oor moest brengen en met de vingers van de andere hand kon, neen moest je, een draaischijf bedienen. Een schijf met de cijfers 0 t/m 9. Dan moest je nog wat muntjes, kwartjes noemde men die toen, door een smalle gleuf prikken of mikken en kon je in een soort van glazen buisje zien hoeveel kwartjes er nog waren. Zolang er kwartjes waren kon je spreken, mits je natuurlijk het juiste telefoonnummer gedraaid had. Handig, heel handig waren die telefooncellen. Ook om af te spreken of om samen te komen. Het gezegde: “Afsjprèke bie de tillefooncel” (tegenover Lambergies op de Geulhemmerberg) in Berg en Terblijt betekende ongeveer hetzelfde als in Maastricht “aofspreke oonder de klok” (op het Vrijthof). En was je er niet of niet op tijd, tjah… dan ging het allemaal over. Afspraakje weg, date vertrokken. Hoewel, het woordje date kenden wij toen nog niet. Smartphones trouwens ook niet. En toch is het uiteindelijk allemaal goed gekomen. Behalve met de telefooncel.

Categorieën
Column

Echt?

Heb je dat ook allemaal gelezen en gehoord? De laatste tijd? Over dat grensoverschrijdend gedrag bij de publieke en andere omroepen? Over het geweld dat er wellicht nog is en toen al werd gebruikt? Vaak gebruikt. Het ging steeds van kwaad naar en tot erger. Verplicht opstaan. Opgelicht worden. Eruit gegooid worden. Vastpinnen in de juiste gaatjes. Draaien. Flinke klappen uitdelen. Woest terug in de zetel. Voldaan, soms/vaak niet. En soms lachen, jongens. Alsof er niets gebeurd was. Meestal met de gordijnen dicht. Want niet alles kon het zonlicht verdragen.

Je werd van de stoel naar het kastje en vervolgens naar de muur gestuurd. Overstuur wist je ten langen leste gewoon niet meer wat je moest doen. Gehuild werd er. Bij uitzendingen van kinderprogramma’s. Je kon dan bij niemand troost vinden. Ja, bij moeder. Maar die was er niet altijd. Er werd vaak met stemverheffing gesproken. Vloeken mocht je indertied nog niet. Maar het gebeurde toch. Alles wat je was geleerd, werd vergeten. Ook de klappen. Die uitgedeeld werden. Uitzendingen werden onderbroken. Kalmerende woorden hielpen niet. Want hij of zij die ze sprak, de woorden, werd bij tijd en wijle zelf geconfronteerd met dat overschrijdend gedrag. Met de uitspraken. Met dat geweld.

Ja. Je gelooft het misschien niet. Maar dat gedrag en geweld is er al vanaf het begin dat er televisie is. Echt, dat kijkkastje heeft het zwaar te verduren gehad. Het kende de klappen. Ja, niet die van de zweep, maar die van de vuist. En als die niet hielpen, die klappen, dan die van de vlakke hand. Van bovenaf. Of vanaf de zijkant. Met volle kracht. Wanneer bijvoorbeeld het beeld begon te lopen. Alsof de hoofdrolspelers in het kastje in een op hol geslagen lift zaten. Dan werd de lift, of beter, het beeld tot stoppen gebracht met een welluidende, harde klap. Althans, dat was de bedoeling. Mocht de eerste klap niet lukken, dan volgde een tweede, wellicht nog hardere klap. Het voelde, hoorde en zag eruit als zinvol geweld. Ja, uiteindelijk werd dan de televisie uit en weer aan gezet. Toen al. Zoals dat tegenwoordig met computers, laptops en telefoontjes gebeurt. Of dat het beeld opeens donker of wazig werd. Net op die momenten dat het echt spannend werd. Dan werden alle heiligen, schijn of niet, meestal bij hun voornaam, aangeroepen. Dan werd het kijkkastje of – wanneer de televisie van grotere omvang was – de kijkkast, nog net niet van het/de tafel(tje) gerukt of geduwd. Om over de mishandeling van de antennekabeltjes en stekkertjes met hun pinnetjes maar te zwijgen.

Ja. Je gelooft het misschien niet, maar de uitvinding van de televisie staat gewoon aan de basis van het tegenwoordige huiselijke geweld en grensoverschrijdend gedrag. Alleen werden dit geweld en gedrag indertied alleen gebruikt tegen alles wat ook maar iets van haperende elektriek herbergde. Achter de voordeur. Hadden de huidige rapportschrijvers toen maar bestaan, was het waarschijnlijk allemaal niet zover gekomen. Toch?

Categorieën
Column

Carnaval 3

Wanneer de strijd tussen ‘kojbojs’ en indianen gestreden was, geen verliezer of winnaar bekend was, werd de eettafel aangevallen en het zich daarop bevindende eten soldaat gemaakt. En daarna werden de strijdkleuren opnieuw aangebracht, de revolvers weer geladen met ‘knekkerkes’ en ging het – zeker op carnavalszondag – richting twee uur. Dan begon de optocht door Berg te trekken, vanuit Terblijt. Dat was voor onze beentjes ver weg, maar lopend, sluipend door de wei over het pad naar café Bovens, konden we stiekem toch al wat groepen, wagens en eenzame carnavalisten zien die richting start, dus Terblijt trokken.

Dan gauw weer terug, over datzelfde pad, naar huis en wachten op wat later verder de hoek om komen zou. Van verre hoorde je al het gezang, muziek, af en toe een soort van kanongebulder, zag je de trotse rozenprinses, de uitbundige kleine prins, de nog uitbundigere ‘groate’ prins. Groepen uitgerust in zwarte pakken en rieten rokjes. Gekloven botten van onbestemde dieren in de hand, allerlei andere rare uitdossingen die indertied gewoon bij de carnaval hoorden. We keken onze ogen uit. Zeker ook naar die personen die de meest rare fratsen uithaalden om maar óp maar vooral niet ván de wagen te vallen.

Wij kleine jongeren snapten er eigenlijk niets van. Was dit nou carnaval? Nou, dan hadden wij toch veel liever die cowboy- en indianenstrijd. Dat was allemaal veel normaler. Dus trappelden wij vol ongeduld – of was het vanwege de kou? – om weer aan de slag te kunnen. Met revolver, geweer en pijl en boog.

De stoet was nog niet de hoek om of wij dapperen renden en sneurden weer door de straat, door de tuinen en de wei.  Maar niet meer voor lang, want de duisternis deed langzaam maar gestaag zijn schemerende intrede en wij moesten voor het donker weer binnen zijn. En was je dat niet, dan kwam een der zussen je ophalen. Dan kon je wel gewapend zijn met pijl en ‘baag’, geweer of revolver, toch was moeders wil wet. Ook met carnaval in het Wilde Westen. Dat dus toen nog in het oosten lag.