De Brakkeberg. Ik heb hem in mijn sportieve en werkzame leven duizenden keren opgefietst. Hem honderden keren ook hartgrondig en hardmondig vervloekt. Zeker wanneer het regende, of stormde. Of bij tropische hitte.
Vervloekt heb ik hem, vooral in de beginjaren tachtig van de vorige eeuw. Toen ik op mijn mountainbike die berg met de poëtische naam Vogelzangweg, begon te beklimmen. Meestal tot bij de oprit van toen nog hotel Kasteel Geulzicht. Verder reikte de spierkracht in mijn benen niet om over mijn klimsouplesse maar helemaal niet te spreken of, in dit geval, te schrijven. Steeds trapte ik mij helemaal stuk. En direct aansluitend, op mijn adem.
Het werd uiteindelijk een gewoonte. Proberen die oprit te halen en vervolgens af te stappen en te voet verder omhoog. Mijn mountainbikeje ter rechterzijde. Voort- en omhooggeduwd door twee handen. Totdat ik – al lopende ende zwoegende – een wandelende afdaler tegenkwam en die sprak bewonderend: “Sjoane fiets, jóng.”
Ik, trots: “Danke!”
Hij, geniepig: “Jaomer totste de nève löps.”
Ik, …: “Eh…”
Een dag later – de woorden van hij hierboven hamerden nog altijd keihard door mijn hoofd – begon ik aan de beklimming en en… wonder tot bovenaan wonder, ik haalde de top! De afslag naar de Langen Akker. Al hijgende ende puffende. Dat wel. En met een hartslag waarschijnlijk boven de 200. Maar met een overvolle portie voldoening. En vanaf die dag ben ik tijdens die beklimming nooit meer afgestapt en nu nog steeds niet, alleen doe ik die beklimming tegenwoordig met een flinke lading e-bikese ondersteuning.
En nu vraag je je misschien af waarom ik niet de Cauberg, de Daelhemmer of de Geulhemmer opfietste. Nou simpel, de Brakke was de kortste om omhoog te lopen en ik kwam er meestal niemand tegen. Behalve dan die ene iemand… indertied.
