Wanneer de strijd tussen ‘kojbojs’ en indianen gestreden was, geen verliezer of winnaar bekend was, werd de eettafel aangevallen en het zich daarop bevindende eten soldaat gemaakt. En daarna werden de strijdkleuren opnieuw aangebracht, de revolvers weer geladen met ‘knekkerkes’ en ging het – zeker op carnavalszondag – richting twee uur. Dan begon de optocht door Berg te trekken, vanuit Terblijt. Dat was voor onze beentjes ver weg, maar lopend, sluipend door de wei over het pad naar café Bovens, konden we stiekem toch al wat groepen, wagens en eenzame carnavalisten zien die richting start, dus Terblijt trokken.
Dan gauw weer terug, over datzelfde pad, naar huis en wachten op wat later verder de hoek om komen zou. Van verre hoorde je al het gezang, muziek, af en toe een soort van kanongebulder, zag je de trotse rozenprinses, de uitbundige kleine prins, de nog uitbundigere ‘groate’ prins. Groepen uitgerust in zwarte pakken en rieten rokjes. Gekloven botten van onbestemde dieren in de hand, allerlei andere rare uitdossingen die indertied gewoon bij de carnaval hoorden. We keken onze ogen uit. Zeker ook naar die personen die de meest rare fratsen uithaalden om maar óp maar vooral niet ván de wagen te vallen.
Wij kleine jongeren snapten er eigenlijk niets van. Was dit nou carnaval? Nou, dan hadden wij toch veel liever die cowboy- en indianenstrijd. Dat was allemaal veel normaler. Dus trappelden wij vol ongeduld – of was het vanwege de kou? – om weer aan de slag te kunnen. Met revolver, geweer en pijl en boog.
De stoet was nog niet de hoek om of wij dapperen renden en sneurden weer door de straat, door de tuinen en de wei. Maar niet meer voor lang, want de duisternis deed langzaam maar gestaag zijn schemerende intrede en wij moesten voor het donker weer binnen zijn. En was je dat niet, dan kwam een der zussen je ophalen. Dan kon je wel gewapend zijn met pijl en ‘baag’, geweer of revolver, toch was moeders wil wet. Ook met carnaval in het Wilde Westen. Dat dus toen nog in het oosten lag.
