Categorieën
Column

Benkske

Ik gebruik het als onderzetter, voor mijn lijf en onderdanen, beter bekend als mijn benen. Mijn benen wier spieren verzuurd zijn door het beklimmen van de steile helling om uiteindelijk, samen met mij, bijna uitgeput de top te bereiken. De top, met aan de rand dat uitnodigende bankje, de onderzetter. Leeg. Dus genoeg plaats voor mij en de rest van mijn lijf. En terwijl ik hijg, kijk en luister, komen de woorden als vanzelf. Woorden voor deze column.

Dichtbij de rand van de heuvel begint de afdaling naar de diepte, de bodem van het dal. Maar aan de rand van de top van die heuvel, staat een bankje, neen… staat hét bankje waar je te vaak, te dikwijls langsloopt op weg naar de bodem van het dal. Neem eens plaats op dat bankje, laat je hartslag dalen, breng je ademhaling op orde en kijk om je heen. Geniet de vogel- en andere diergeluiden, sluit je af voor het dagdagelijkse lawaai uit dat diepe dal.

Dat bankje staat er niet voor niets. Neem de onuitgesproken uitnodiging aan en neem plaats, óp dat bankje, het is gratis, ja voor niets, om niet. Plaatsgeld onbekend, niet nodig. Ga zitten, kijk rond, luister, zwijg.

Dat bankje, een soort van loge in het theater dat natuur heet. Waar de gevleugelde artiesten het podium opvliegend verlaten en rond je hoofd fladderen, zweven, fluiten, zingen. Waar de vlinders zwieren, op zoek naar de ware, misschien kortstondige liefde, misschien wel vliegend met vlinders in hun buik.

Gezeten op dat bankje proef je de kleuren van het bos, hap je in de bloemengeur, voel je het geritsel in het ruisende struikgewas, sluit je de ogen en waan je je – voor even ontdaan van alle beslommeringen – de eregast in dat theater der natuur.

Op dat bankje fluister ik zacht een paar woorden uit een lied, ooit geschreven en misschien wel gezongen door André. Ja, ‘dat benkske langs de bösjrand’, inspireert en maakt de mens blij, lyrisch, enthousiast, bevlogen. Merk ik…

Categorieën
Column

Poesie

Samen met mijn vrouw driftig in de weer in de ondergrondse berging, vallen er opeens losse blaadjes uit een niet goed afgesloten doos. Gebroken witte, zeg maar vergeelde blaadjes met kinderlijk geschreven versjes en dito gekleurde tekeningen. Blaadjes uit een van de poesies van mijn vrouw, zo blijkt na bestudering van de aanhef der versjes.

Geschreven lofdichten van vriendinnetjes op de rechterbladzijden, gelardeerd met geplakte poesieplaatjes op de linkerbladzijden. Plaatjes die gaande de heel lange tijd hun glitter en vooral hun zelfplakzaamheid duidelijk hebben verloren, nu ze als een losbladige editie van wat ooit een poesie was, in de opbergdoos én op de grond liggen.

Vaag kan ik me nog herinneren dat ook ik in mijn jeugd, dus al héél lang geleden, in van die alba amoricum (mooie naam, hè, voor zo’n poesies) gedichtjes en versjes geschreven heb. In de albums van mijn zussen en in die van de klasgenootjes der vrouwelijke kunne in de eh… klas. Ik kan me namelijk niet herinneren dat er broers of vrienden waren die ook zo’n poesie hadden.

Terwijl ik probeer de blaadjes ietwat te ordenen, vraag ik me af of deze poesies nog bestaan. Ik ben inmiddels wel bekend met de huidige vriendenboekjes, van meisjes én van jongens, maar die zijn toch anders dan die poesiealbums van vroeger. Of… en dat kan natuurlijk ook, is het vriendenboekje van nu de moderne versie van de poesie van toen?

Dan lijkt me de poesie van toen toch leuker en ook veel onschuldiger. De versjes en ontboezemingen indertied waren vooral oppervlakkig en ze gaven minder of totaal geen inkijk in het privéleven of de privacy van de jonge eigenaar of jeugdige eigenaresse van het boekje. Zeker wanneer je let op de voorgedrukte(!) vragen die gesteld worden in het huidige vriendenboekje, de dus waarschijnlijke, moderne poesieversie.

En terwijl ik voorzichtig de blaadjes inclusief plaatjes terugleg in de doos en die doos goed sluit, hoop ik vooral dat er niet een nog modernere, dus digitale versie van het vriendenboek opgang gaat maken. Er zijn tegenwoordig al zoveel gegevens openbaar, daar horen de gegevens van de jeugd echt niet bij, of is dat al wel het geval? Ai…

Categorieën
Column

Autoped

Ongelukken zitten soms in een klein hoekje. Wordt beweerd. Maar soms komt nog voor het ongeluk het geluk om dat kleine hoekje kijken. Wanneer ik een vijf turven hoge dreumes op zo’n ielepielig klein stepje de hoek nabij de woonstraat om zie komen zeilen. De kleine ontwijkt ternauwernood een standvastige doch solitaire lantaarnpaal, ik ontwijk dan weer de dreumes en werp een boze blik naar de – denk ik – moeder van de dreumes, die meer oog heeft voor haar telefoontje dan voor haar – denk ik dus ook – kleine dreumes.

Het geluk zit hem niet in mijn ontwijken, neen, het zit hem in het onderwerp wat mij aldus in de schoot geworpen wordt. De step, de autoped! Uit mijn jeugd. Ken je hem nog? Zo’n echte, met heuse rubberen banden, een zitje (wel/niet opklapbaar) en een rem. De meer modernere hadden ook nog een handrem, rechts, aan het stuur. Maar zover ging ik, gingen wij, niet mee, met de tijd. Indertied.

Terwijl de kleine voortraast en de moeder, zonder blik of bloos, voortappt, zie ik mij weer, als kleine gast, door de Penderssjtraot sjnäöre, twee handjes aan het stuur en afwisselend links en rechts afzettend met een der voetjes. Want te lang met één voet afzetten zorgde voor pijntjes in het bovenbeen, vandaar dus die afwisseling.

Ook zie ik mij weer, op een zonnige zondag in mei, jaja, ik weet het nog goed, in mijn uppie weer door de Penderssjtraot racen. Maar die solorace werd pardoes onderbroken door een, niet gezien vanuit mijn racerichting, links geparkeerde grote personenauto. Zo eentje met van die stevige, metalen bumpers en een carrosserie waar je ‘au’ tegen zegt wanneer je er onverhoeds tegenaan knalt. Want dat deed ik.

Waarschijnlijk (waarschijnlijk?) mijn ogen niet op de sjtraot gericht, lag ik opeens, na de plotselinge botsing met knal, naast die niet schuivende auto. Het eerste wat ik deed was op- en rondkijken of iemand de botsing gezien of gehoord had en daarna de pijnlijke, geschaafde, bloedende knie bevoelen. Toen gauw de autoped pakken en weg van de plek des vallens.

Dit stukje schrijvende, realiseer ik mij dat dat indertied al een typisch geval van doorrijden na een aanrijding was. Foei, ik.

Categorieën
Column

Glijbaan

Glijdend door de gletse straat, na een paar uurtjes, tegenwoordig hevige sneeuwval, waarbij ik mij soms met moeite rechtop houd, dwalen mijn gedachten, hoe gevaarlijk ook in deze gladheid, weer eens af naar toen. Héél lang geleden. Toen ik voor het eerst serieus en keihard kennismaakte met de keijbaan, ergens in de winter van het jaar 1960.

Indertied, toen winters nog echte winters waren, krabbelde ik op mijn korte beentjes voorzichtig door de sneeuw vanuit de Penderssjtraot, over de Langen Akker, naar de school, als ontluikende kleuter. Aan de hand van twee grote meisjes uit de straat, Tonny en Marjan. Dankzij deze dames bereikte ik ongeschonden de school. Op weg naar school drukten zij me al op het hart om, wanneer ik de sjpeelplaats opliep, ik mij naar de zijkant van de speelplaats moest begeven om te voorkomen dat ik onder de voet gelopen of gegleden werd door de grote jongens en meisjes van diezelfde school aan de Langen Akker.

Het hek van de speelplaats stond wagenwijd open en de twee meisjes stuurden me naar rechts, langs het muurtje waarop de tralies, die de speelplaats beschermden, bevestigd waren. Voorzichtig en zenuwachtig waagde ik mij naar rechts maar al na een stapje of vijf, zes werd er gegild. Dat gillen klonk als duizenden sirenes in mijn oren en ik raakte in paniek. Zette een, twee stappen naar links en ‘kaboem’. Daar lag ik, onder een grote jongen. Ondersteboven gekeijd. En zoals te doen gebruikelijk op die leeftijd, keihard huilen. Vier handen sleepten mij van de keijbaan af en zetten me tegen het eerder genoemde muurtje. En de eigenaars van die vier handen sloten weer aan in de rij die stond te wachten om weer over de ijzige baan te keijen.

Maar ik wilde naar de deur, aan de overkant van de speelplaats, weg van al dat gillende, glijdende gevaar dat mij omgaf. Dus raapte ik, hoewel ik het woord nog niet kende, mijn moed bijelkaar en zette wankele stapjes voorwaarts, richting die uitnodigende deur. Maar helaas, die stapjes voorwaarts kruisten die bevroren keijbaan van daarnet en na een luide gil ergens links van mij was het weer ‘kaboem’ en werd ik ten tweede male overgleden door een grote jongen. Maar nu was de schade heftiger, een serieuze bloedneus en er moest een grote zakdoek aan te pas komen om mijn lekkende neus te stoppen. Gelukkig was Tonny – of was het Marjan? – nu wel in de buurt en werd ik naar de verlossende deur geleid waar de kleuterjuf mij opwachtte en mij verder leidde, verder naar het veilige binnen. Zij stelpte het bloeden en mijn gehuil met veel doekjes en troostende woorden.

Ik denk terug aan die bloedende, pijnlijke neus van toen en onwillekeurig gaat mijn hand richting mijn neus, maar besef, waarschijnlijk op tijd, dat het – ook in deze tegenwoordige gladheid – beter is om mij te concentreren op mijn glijdende stappen voorwaarts. Mijn botten en ook mijn neus, zijn – weet ik zeker – niet meer voor vallen geschikt.