Categorieën
Column

Autoped

Ongelukken zitten soms in een klein hoekje. Wordt beweerd. Maar soms komt nog voor het ongeluk het geluk om dat kleine hoekje kijken. Wanneer ik een vijf turven hoge dreumes op zo’n ielepielig klein stepje de hoek nabij de woonstraat om zie komen zeilen. De kleine ontwijkt ternauwernood een standvastige doch solitaire lantaarnpaal, ik ontwijk dan weer de dreumes en werp een boze blik naar de – denk ik – moeder van de dreumes, die meer oog heeft voor haar telefoontje dan voor haar – denk ik dus ook – kleine dreumes.

Het geluk zit hem niet in mijn ontwijken, neen, het zit hem in het onderwerp wat mij aldus in de schoot geworpen wordt. De step, de autoped! Uit mijn jeugd. Ken je hem nog? Zo’n echte, met heuse rubberen banden, een zitje (wel/niet opklapbaar) en een rem. De meer modernere hadden ook nog een handrem, rechts, aan het stuur. Maar zover ging ik, gingen wij, niet mee, met de tijd. Indertied.

Terwijl de kleine voortraast en de moeder, zonder blik of bloos, voortappt, zie ik mij weer, als kleine gast, door de Penderssjtraot sjnäöre, twee handjes aan het stuur en afwisselend links en rechts afzettend met een der voetjes. Want te lang met één voet afzetten zorgde voor pijntjes in het bovenbeen, vandaar dus die afwisseling.

Ook zie ik mij weer, op een zonnige zondag in mei, jaja, ik weet het nog goed, in mijn uppie weer door de Penderssjtraot racen. Maar die solorace werd pardoes onderbroken door een, niet gezien vanuit mijn racerichting, links geparkeerde grote personenauto. Zo eentje met van die stevige, metalen bumpers en een carrosserie waar je ‘au’ tegen zegt wanneer je er onverhoeds tegenaan knalt. Want dat deed ik.

Waarschijnlijk (waarschijnlijk?) mijn ogen niet op de sjtraot gericht, lag ik opeens, na de plotselinge botsing met knal, naast die niet schuivende auto. Het eerste wat ik deed was op- en rondkijken of iemand de botsing gezien of gehoord had en daarna de pijnlijke, geschaafde, bloedende knie bevoelen. Toen gauw de autoped pakken en weg van de plek des vallens.

Dit stukje schrijvende, realiseer ik mij dat dat indertied al een typisch geval van doorrijden na een aanrijding was. Foei, ik.