Glijdend door de gletse straat, na een paar uurtjes, tegenwoordig hevige sneeuwval, waarbij ik mij soms met moeite rechtop houd, dwalen mijn gedachten, hoe gevaarlijk ook in deze gladheid, weer eens af naar toen. Héél lang geleden. Toen ik voor het eerst serieus en keihard kennismaakte met de keijbaan, ergens in de winter van het jaar 1960.
Indertied, toen winters nog echte winters waren, krabbelde ik op mijn korte beentjes voorzichtig door de sneeuw vanuit de Penderssjtraot, over de Langen Akker, naar de school, als ontluikende kleuter. Aan de hand van twee grote meisjes uit de straat, Tonny en Marjan. Dankzij deze dames bereikte ik ongeschonden de school. Op weg naar school drukten zij me al op het hart om, wanneer ik de sjpeelplaats opliep, ik mij naar de zijkant van de speelplaats moest begeven om te voorkomen dat ik onder de voet gelopen of gegleden werd door de grote jongens en meisjes van diezelfde school aan de Langen Akker.
Het hek van de speelplaats stond wagenwijd open en de twee meisjes stuurden me naar rechts, langs het muurtje waarop de tralies, die de speelplaats beschermden, bevestigd waren. Voorzichtig en zenuwachtig waagde ik mij naar rechts maar al na een stapje of vijf, zes werd er gegild. Dat gillen klonk als duizenden sirenes in mijn oren en ik raakte in paniek. Zette een, twee stappen naar links en ‘kaboem’. Daar lag ik, onder een grote jongen. Ondersteboven gekeijd. En zoals te doen gebruikelijk op die leeftijd, keihard huilen. Vier handen sleepten mij van de keijbaan af en zetten me tegen het eerder genoemde muurtje. En de eigenaars van die vier handen sloten weer aan in de rij die stond te wachten om weer over de ijzige baan te keijen.
Maar ik wilde naar de deur, aan de overkant van de speelplaats, weg van al dat gillende, glijdende gevaar dat mij omgaf. Dus raapte ik, hoewel ik het woord nog niet kende, mijn moed bijelkaar en zette wankele stapjes voorwaarts, richting die uitnodigende deur. Maar helaas, die stapjes voorwaarts kruisten die bevroren keijbaan van daarnet en na een luide gil ergens links van mij was het weer ‘kaboem’ en werd ik ten tweede male overgleden door een grote jongen. Maar nu was de schade heftiger, een serieuze bloedneus en er moest een grote zakdoek aan te pas komen om mijn lekkende neus te stoppen. Gelukkig was Tonny – of was het Marjan? – nu wel in de buurt en werd ik naar de verlossende deur geleid waar de kleuterjuf mij opwachtte en mij verder leidde, verder naar het veilige binnen. Zij stelpte het bloeden en mijn gehuil met veel doekjes en troostende woorden.
Ik denk terug aan die bloedende, pijnlijke neus van toen en onwillekeurig gaat mijn hand richting mijn neus, maar besef, waarschijnlijk op tijd, dat het – ook in deze tegenwoordige gladheid – beter is om mij te concentreren op mijn glijdende stappen voorwaarts. Mijn botten en ook mijn neus, zijn – weet ik zeker – niet meer voor vallen geschikt.
