Ken je het nog? Het edele verstopspel ‘verstoppertje’? Ik moet aan dat spel denken wanneer ik een kranige kleuter heel erg luid ‘een twee drie vier zeven negen honderd, ik kòòmm’ hoor tellen en roepen. Andere kleuters hebben net op tijd een goed heenkomen en een waarschijnlijk goed verstopplekje gevonden maar hoe dit spelletje afloopt krijg ik niet mee omdat ik verder wandel en mijn gedachten inmiddels weer eens afgedwaald zijn naar indertied.
Indertied speelden wij ook heel vaak dit spelletje en renden wij ons de benen onder het lijf vandaan wanneer de zoeker, met dan nog een arm tegen de muur en het gezicht met gesloten ogen tegen die arm leunend, hardop tot honderd telde om vervolgens aan zijn speurtocht te beginnen.
Ik herinner me dat we ooit eens verstoppertje speelden bij het toen in aanbouw zijnde nieuwe gemeentehuis dat dus nu niet meer nieuw en al helemaal geen gemeentehuis meer is en wij ons verstopten achter bouwmaterialen en ook in het welig tierende hoge gras aan de zuidzijde van de bouwplaats. Ik had me zo goed verstopt in dat hoge gras dat ik maar niet gevonden werd. Op een gegeven moment was ik gewoon vergeten dat ik mij verstopt had – ik was te druk bezig met het bewonderen van sjmoutwörremkes op en rond mijn verstopplek – en ben uiteindelijk opgestaan en weggewandeld. Toen ik de Penderssjtraot binnenwandelde waren de zoeker en de andere verstopperige deelnemers gewoon aan het voetballen. Zij – of in ieder geval de zoeker – waren mij dus glad vergeten. Gelukkig was er nog een plekje vrij in een der voetbalteams en mocht ik naadloos inschuiven in dit spel.
En in dit spel kon ik mij geweldig uitleven, zonder mij te verstoppen.
