Categorieën
Column

Carnaval 2

In het toenmalige oostelijke Wilde Westen, bij mij in de straat en dus ook om de hoek, kon het zomaar gebeuren dat er indianen rondliepen met een revolver. Dat was eigenlijk in onze ogen not done, maar – waarschijnlijk, omdat wij nog geen Engels kenden – kon dat eigenlijk niet, want indianen behoorden te schieten met pijl en boog, maar omdat pijlen nu eenmaal niet knalden en onze revolvers dat wel deden en de indianen niet ook nog beschikten over een cowboypak net zoals de cowboys niet ook nog beschikten over een indianenpak én pijl en boog werd – onder dikke zwarte wenkbrauwen – oogluikend toegestaan dat de indianen een revolver mochten hanteren. Ik herinner mij opeens een Hooghollandse opmerking van een mijner zussen, richting een naburige ‘kojboj’ met revolver, geweer én pijl en boog: “Johntje, Edmond heeft ook een pijl en baag…” Terwijl ik eigenlijk gewoon een ‘kojboj’ was. Zonder indianenpak.

Het geknekker, gepang en gebang was vaak niet van maar wel in de lucht en dat er tijdens de jacht op de vijand i.c. de indianen door voortuintjes de achtervolging werd afgesneden, was alleen waarneembaar voor de huiselijke vaders en moeders die door het keuken- of kamerraam de knallende jeugd in de gaten, maar niet uit de voortuinen hield, ondanks heftig tikken op het raam.

Een indiaantje van bij mij om de hoek, getooid met stoere kleurige strepen in het gezicht hanteerde, heel bedreven, een grote boog met pijlen die aan het eind voorzien waren van gekleurde veertjes die dan weer na enkele keren afvuren, verwerden tot zielige, geklitte haartjes. Het kon de pret niet drukken. Geschoten werd er. Over en weer. Soms moest je, wanneer je ‘geraakt’ was, tot wel honderd tellen eer je weer deel mocht nemen aan de wildwestelijke strijd in het oosten. Dat het getal honderd eerder bij tien of hooguit twintig lag, nam niemand je kwalijk, want honderd was wel heel veel en vooral lang.

Dan ging je weer onverdroten de strijd aan. Inmiddels ook niet meer wetend wie nu vriend of vijand was want in het vuur van het spel waren je beste vriendjes, je beste vriendjes, of ze nu bij de vijand hoorden of niet. En zo kon het dus gebeuren en gebeurde het ook dat tijdens die drie dolle dagen niemand won.

En zo zou de wereld tegenwoordig ook in elkaar moeten steken. Winnen zonder te verliezen. Toch?

Categorieën
Column

Carnaval 1

Ik zie me nog lopen. Voor mijn gevoel alweer zo’n honderd jaar, want lang, geleden. Trots als een pauwtje in mijn allereerste cowboypakje. Op mijn hoofd een uit de verfrommeling gehaalde vilten ‘kojbojhoed’ die bij de aankondiging van de eerste de beste regendruppel al begon te rimpelen en te krimpen. In de holster, aan mijn rechterzijde, een heuse revolver, die eigenlijk voor mij, als linkshandige pistolero, totaal verkeerd zat. Maar ja, die holster aan de linkerzijde bevestigen was geen optie, want dan zat die holster achterstevoren en dat zag echt niet uit. In mijn en ieders ogen.

Maar die revolver. Een zilveren wapen dat je kon openklappen en waar je een rolletje ‘knekkerkes’ in moest frommelen. Ja frommelen, want mijn vingers waren toen niet bij machte – tegenwoordig trouwens nog niet – om dat rozerode rolletje in het revolvermagazijn op een nette en juiste manier over dat vermaledijde pinnetje te schuiven.

Die ‘knekkerkes’ die je kon laten vlammen wanneer je er met de nagel van je duim over kraste. Die zo’n vreemde geur afgaven. Vraag me nu opeens af of dat wel zo’n gezonde geur was die wij opsnoven. Maar toen bestonden er volgens mij nog geen instanties die dit soort munitie onderzochten en eventueel van een of ander goedkeuringspredicaat voorzagen. Het rook gewoon naar… ja naar wat?

Die ‘knekkerkes’ die je ook onder een springveertje van een soort van raketje kon leggen, friemelen, schuiven, proppen of duwen, al naargelang je handigheid. Dat raketje dat je dan de lucht ingooide en je dan een kleine ‘knek’ hoorde wanneer de punt van het raketje met de aarde, meestal het asfalt, in aanraking kwam. Tot groot jolijt van de kleine jeugdige ‘kojbojs’, waaronder ik dus.

Cowboys en indianen, dat waren eigenlijk de enige twee soorten uiterst jeugdige en mannelijke carnavalisten bij ons in de straat en om de hoek. De indianen getooid met kleurige strepen in het gezicht en dito veren op het hoofd en wij, cowboys met hoed en onder de neus een stoere zwarte snor, aan beide zijden brede zwarte bakkebaarden en boven de ogen dikke ook al zwarte wenkbrauwen, door pap of mam getekend met een kurk die enige tijd boven het vlammetje van een kaars was gehouden. Dat enig onbewust gewrijf door het gezicht dan zorgde voor uitgelopen zwarte strepen (zou Alice Cooper bij ons zijn inspiratie hebben opgedaan?) hoorden we pas wanneer we weer binnenkwamen om te eten.

Onze buurt en zeker de wei van de ‘Prick’ – of was het toen de wei van ‘Goassens’? – vormde het decor van een uiterst Wild Westen, ook al lag onze buurt toen nog in het oosten van Berg. Hoe vaak ik daar met carnaval niet iemand doodgeschoten heb, daarna weer heb zien verrijzen, ontelbaar. Maar de herinnering is en blijft onbetaalbaar …

Categorieën
Column

Sleeën

Het is lang geleden, hè. Zó’n dik pak sneeuw op ons dak, in de tuin, op de wegen. Het land bijna compleet ontwricht. Treinen en bussen die niet meer rijden, vliegtuigen die niet meer durven landen. Hopelijk hebben die wel genoeg kerosine in de tank om door te vliegen naar warmere, onbesneeuwde oorden. Enfin, het hele land is in rep en roer en slechts een deel verpakt in zeldzaam wit.

Mijn schrijvende gedachten keren terug, naar het verleden, het verre verleden. Toen sneeuw, vooral in de winter, nog iets alledaags was. Waar je naar uitkeek, waar je al vroeg mee bezig was. Zoals de hardschaatsers tegenwoordig hun schaatsen slijpen, zo slepen wij de ijzers vroeger, met de zjwaars van het spek. Misschien daarom de uitdrukking ‘spekglad’? Ik weet het niet. In ieder geval werden de ijzers gesmee(r)d omdat het koud werd. Buiten…

Dan ging de sjleij, hangend en glijdend aan een touwtje, achter de sleeërs aan. Richting de ‘Kruitzer’, want daar was het te doen. Op de steile helling achter het café. Vanaf drie plekken scheerde je – de echte stoeren liggend op de slee, de neus vlak boven het sneeuwdek, want dat was de max, de minder stoeren zittend – naar beneden om ergens halverwege samen te komen op dat ene, vaak ijzige pad. Voorrang verlenen? Daar had nog ooit iemand van gehoord. Het was van op good gelök en sjleije mer. Dat er dan wel eens gebotst werd, tja… dat hoorde erbij. Want ‘waar gesleed wordt, botst het soms’. Toch?

En ja, bij het de berg terug omhoog lopen, klimmen, klunen, kruipen, kon het wel eens gebeuren dat je vergat je handen te gebruiken wanneer je voorover in de sneeuw kukelde omdat opeens de voeten achter- of onder je uit gleden. Dan klapte je met je gezicht op de vaak ijzige bodem van de sleebaan. Dat er zich dan een neus tussen baan en gezicht bevond, tja, dat merkte je wanneer dikke bloeddruppels verschenen en vooral tranen van pijn vloeiden. Knijpende vingers onder de knokkel van de neus en troostende woorden van de medesleeërs moesten het bloeden dan doen stoppen en soms, wanneer die aanwezig was, was er een zakdoekje, voor het bloeden. Maar meestal tegen. Het bloeden.

Maar eens het leed geleden en het enthousiasme weer teruggekeerd, ging het weer hard, van boven naar onderen. Als het lukte, onder de prikkeldraad van het volgende weiland door. En ja, hoe verder je gleed met de slee, des te verder moest je ook weer terug. Lopen, klimmen, klunen, kruipen. We hadden het er graag voor over.

Totdat de winterse schemering zijn intrede deed. Dan werd de wandeling naar huis weer aangevangen. De ‘Riekswèèg’ over, door de weilanden of akkers, al naargelang uit welke vriendjes de groep bestond. En pas tijdens de terugwandeling merkte je hoe koud het was, hoe pijnlijk de vinger- en teentoppen aanvoelden en hoe hinderlijk de ijspegeltjes aan je neus konden hangen.

Thuisgekomen ging de slee in de sjtal, netjes rechtop zodat de ijzers konden drogen en vooral niet gingen roesten, de schoenen uit en dan de keuken binnen om daar op mama de moeder te wachten die, door vele sneeuwwinterse jaren wijs geworden, de sleeërs eerst ietwat liet ontdooien om dan pas toestemming te geven tot enige opwarming bij de voor verder ontdooien zeer geschikte kachel. Wetend dat er morgen weer een sneeuwsleedag was. En dat laatste is dan tegenwoordig ongewis. Want wanneer het nu vriest en sneeuwt, staat de dooi alweer aan de deur van de volgende dag te kloppen.

Categorieën
Column

Stappen

Mijn vrouw is driftig bezig. Met bakken vol loopt zij niet van hot naar haar, maar van cold naar iets minder koud. Van de vrieskast binnen naar de natuurlijke en ruime vrieskist buiten. Want nu is het blijkbaar dé tijd om de vrieskast binnen te ontdooien en de vrieskist buiten, beter bekend als balkon, tijdelijk op te zadelen met een drietal goed gevulde laden ingevroren – en na ontdooiing – eetbaar spul. Ik zit erbij en kijk ernaar. Naar het heen-en-weerse geloop van mijn vrouw. Ik wil haar wel helpen, maar zij vindt – omdat zij op dit lumineuze idee kwam – dat zij haar idee dan ook moet uitdragen i.c. van binnen naar buiten dragen. En wie ben ik om haar van die gedachte af te brengen?

Dus laat ik mijn gedachten – terwijl mijn handen de grote XXL-mok gevuld met warme kaneelthee omvat houden – weer eens terugkeren naar tijden van lang geleden en weleer. Toen een koelkast nog geen gemeengoed in de Nederlandse huishoudens was. Toen de kelder een redelijk alternatief was maar vers vaak vers vanaf de kar met paard, de groentewagen of uit het busje geleverd werd. Door Frans de visboer, Sjeuf de groenteboer of Sander de melkboer. En ik of een mijner broers of zussen het vers vlees bij Sjo of Sjeng moesten gaan kopen.

Wat moet het een verademing geweest zijn voor de huishoudens toen de prijzen van koelkasten eindelijk naar een betaalbaar niveau daalden en gezinnen konden gaan beschikken over dit toen ultramoderne keukenmeubel. En voor mij, die als jong jochie met korte beentjes, de gang naar Sjo niet meer dagelijks hoefde te maken. Of erger, wanneer Sjo het gevraagde vlees niet op voorraad had, nog eens helemaal naar Sjeng aan de Grote Straat moest lopen. Dat was een soort van helletocht en het was toen ook steeds bij mij de vraag wanneer ik dus van bij Sjo richting Sjeng liep of ik de Vièhsjtraot tot aan de Groate Sjtraot af zou lopen, of dat ik het wèske (ter hoogte van nu de Blokbrekerstraat) zou nemen en dan door zou steken naar de Geulemmerwèèg, want dat zou korter kunnen zijn. Alleen dan moest ik wel dat stuk Geulemmerwèèg omhoog, wat voor mij toch wel een inspanning betekende. Ik probeerde dan te tellen hoeveel pasjes ik maakte wanneer ik via de Vièhsjtraot richting Sjeng dribbelde of via dat wèske. Hoeveel pasjes het waren? Ik zal het nooit kunnen vertellen omdat ik telkens ergens na honderd pasjes de tel kwijtraakte omdat mijn hoofd, mijn gedachten en ik met één ander ding bezig waren. Namelijk het proberen te onthouden van de vleessoort die ik nog bij Sjeng moest kopen. Want ik voelde mij in de winkel bij Sjeng dan een hele grote pief van nog geen 100 centimeter wanneer ik – zonder op het door mijn moeder geschreven boodschappenbriefje te kijken – kon zeggen dat ik 200 gram rauwe ham moest hebben. Dat Sjeng dan iets zei van ‘twiè óns rauw sjink’ snapte ik dan weer niet. Dan gaf ik hem toch maar gauw mijn briefje om te laten zien dat ik echt 200 gram rauwe ham moest hebben. Glimlachend keer ik terug uit mijn gedachten, beland ik in het heden en volgen mijn ogen mijn vrouw, die weer een bak met bevroren spullen van de vrieskast binnen naar de natuurlijke vrieskist buiten draagt. Onbewust tel ik haar stappen. Zestien.

Categorieën
Column

ZN

Het is wellicht al te laat, want 6 januari, want Driekoningen. Dan moet en hoeft het allemaal niet meer (zo). Handen schudden, kussen op de wang, stevige knuffels, het is – wat nieuwjaarswensen betreft – voor de rest van het jaar voorbij. Velen zullen denken, gelukkig, anderen dan weer niet. En omdat ik niet in de gelegenheid ben om iedereen een kus of meerdere kussen te geven en/of om stevige knuffels uit te delen doe ik het met de titel van deze column. ZN. Lekker modern en reuze goedkoop. Er komt geen bal- of vulpen meer aan te pas. Laat staan of liggen, een kaart met enveloppe of zoals het vroeger te doen gebruikelijk was, een kaart zonder enveloppe, gewoon een kleurige kaart. Een kaart met wat toeters en ballen, sterren en bomen. En sneeuw. Veel sneeuw. Voor de jongeren: Sneeuw is een wit goedje dat soms de aarde bedekt, koud aanvoelt en mensen tegenwoordig in extase brengt. Die wenskaart, toen modern. Volgens de appers, mailers, tiktokkers, instagrammers, facebookers, messengers, nu heel erg oubollig. Oubollig zonder d!

ZN. De oudere lezers zullen de afkorting nog (her)kennen van vroeger, héél vroeger, toen je nog voor een paar gewone centen een kerst- of nieuwjaarswens kon versturen. Maar dan mocht je niet voluit ‘Zalig Nieuwjaar’ of nog meer tekst op de achterkant van de kaart schrijven want dan werd het tarief, dus de postzegel gelijk een paar centen duurder. ‘ZK en ZN’ was de max voor het goedkope bezorgtarief. ZK en ZN, Zalig Kerstfeest en Zalig Nieuwjaar. Ik zou er een moderne, meer realistische afgekorte wens van willen maken. ZN ZOG. Zalig Nieuwjaar Zonder OorlogsGeweld. Of is dat in de huidige tijd een te dure wens, niet met geld te betalen?

Categorieën
Column

2024

Je slaat ze om, de bladzijde naar de laatste bladzijde van het boek, leest vervolgens tot het laatste woord, tot de laatste letter, tot die allerlaatste punt. De punt die je normaliter over het hoofd ziet omdat je aanneemt dat die punt er gewoon is. Misschien slaak je een zucht, een zucht van verlichting want wellicht was het wel een dik boek, een zwaar boek, een spannend boek maar bovenal en zeker was het boek interessant, anders had je het niet volgehouden met lezen tot het laatste woord, het tot je nemen van die laatste letter, die eindigende punt.

De laatste dag van een jaar is feitelijk als die laatste bladzijde van dat boek. Maar bij die laatste dag hoort geen punt, maar een negen. De negen die je heel even ziet wanneer je naar de jaarwegtikkende klok kijkt. Een negen die voorafgaat aan de eerste nul van het nieuwe jaar, 23:59:59 wordt 00:00:00. Je begint vanaf die nul aan dat nieuwe, misschien spannende maar vooral ongewisse jaar. Alsof je voorzichtig en verwachtingsvol een heel nieuw boek ter hand neemt. Alleen… een nieuw boek kent een kaft, die je omslaat en je geconfronteerd wordt met een ietwat slappere titelpagina.

Een nieuw jaar daarentegen openbaart zich op heel veel fronten, met een cijferige titel. Een titel die ook dit keer weer verrekte mooi bekt. 2024 in cijfers, twintig-vier-en-twintig in letters. Misschien klinkt vierentwintig zachter dan drieëntwintig, want die ‘dr’ van drieëntwintig klinkt en klonk als een boven-de-grote-rivierse keiharde ‘g’. Dat was – in mijn oren dan toch – een heel jaar een keiharde mond vol.

We gaan het dus een heel jaar doen met twintig-vier-en-twintig. En wat 2024 ons brengen zal? Niemand die het weet. Alleen de zelfbenoemde voorspellers die er – zoals altijd –altijd weer naast gaan zitten, die het in feite al bij het begin, bij het verkeerde eind hebben. Daarom mijn goede raad … laat je gewoon lekker verrassen. In en door dat nieuwe jaar, met zijn nieuwe maanden en zijn nieuwe weken, met telkens nieuwe dagen, nieuwe uren. En geniet… van elke nieuwe seconde die met overgrote regelmaat aan komt tikken!!

Ik wens je een gezellige laatstevanditjaaravond, een rustige, vooral veilige jaarwende en probeer van 2024 iets heel moois te maken. Dat ga ik ook doen, proberen.

Maar pas heel wat uitgeslapen uren ná dat eerste nulletje van dit nieuwe jaar …

Categorieën
Column

Kerstkronkel

Het duister en de stilte omhullen mij. Ik lig dus in mijn bed. Helemaal niet op kribbelend warm stro maar op een heerlijke matras en mijn hoofd rust op mijn hoofdkussen. De ogen zijn wijd open, waarlijk rare gedachten zweven tussen mijn oren, kerstelijke gedachten en dan geldt voor de lezer: tandenknarsend vastbijten of gewoon afhaken. Want, vanuit mijn bed spieden mijn ogen door een best wel brede spleet van de venetiaanse blinden en zie ik – lach niet – een bebaarde, rondbuikige luchtpiraat en hoor ik die vlerk ‘ho ho ho’ roepen terwijl de rendieren vóór zijn arreslede heel ongehoorzaam gewoon doordraven en ik me realiseer dat dat rendieren zijn, terwijl, gelet op het zwerk waardoorheen zij zich voortbewegen, het eigenlijk vliegdieren zouden moeten zijn. Toch?

Ik draai me, niet echt verward door mijn vliegdierlijke gedachte, op mijn slaapzijde. Ik hoop dat Morpheus mij dadelijk hard op de ogen slaat en mij vervolgens meesleept naar het dichteogenland, achter de wassende, dromerige horimaan.

‘Auwah!’ De eerste klap van Morpheus is gelijk raak en ik zak in een meer dan tientellenstand, nachtdenkend ‘wat moet dat komende nacht op aard’ geboren wordende kindeke, weldra liggend in dat krakende kribbeke gaan denken wanneer het over het randeke van dat kribbeke blikt en boven de deuropening een kruiske ziet met daarop bevestigd een hem verdomd bekend voorkomend persoon?’

Ik schrik wakker van die vreemde gedachte, maar heus, is die gedachte zo vreemd? Vooral wanneer Morpheus een tweede slag uitdeelt en ik – nu plat liggend op mijn rug – bedenk wat dat kindeke zal denken wanneer het naar de wanden van het kreunende kribbeke staart. Misschien wel iets van: ‘Mijn vader is toch timmerman, waarom heeft hij dan geen fatsoenlijk bedje voor mij kunnen maken?’ Of ‘waarom heeft mama hem niet gewoon naar een woonboulevard gestuurd om een leuk bedje voor mij uit te zoeken en meer nog, dat bedje ook nog te kopen?’

Ik kan opeens de slaap niet meer vatten, ontsla Morpheus van zijn sportieve plichten, ga rechtop zitten en staar in het duister van de kamer. Verplaats me – in gedachten – naar dat kindeke. Dat kindeke dat stiekem over de rand van het kribbeke gluurt en in de hoek van de stal een stalleke ziet met daarin een kribbeke, een mama en papa, een babyke en nog wat ander herderlijk en schaapachtig beeldmateriaal. Zou dat tafereel vragen oproepen? Het zou zomaar kunnen dat het kindeke hierover vragen heeft voor mama op papa, ware het niet dat dat babyke nog niet kan praten. Hoewel, de wonderen waren toen en zijn ook tegenwoordig de wereld nog niet uit…

Ik krab mij achter een oor, wrijf door mijn ogen en denk een “stille nacht, heilige nacht’ te horen. Ergens buiten. Wie zou daar – ook nog een nacht te vroeg – aan het zingen zijn? Ik zak terug onder de dekens, probeer mij af te sluiten voor het geluid, wil niet weten wie het zingt. Ik ga toch niet om – hoe laat is het? – nog net geen 4 uur, buiten kijken. Maar stel nu dat dat menneke, in dat kribbeke, later een hardrocker wordt, een heavy metalfanaat. Zou hij zich dan telkenjare in zijn kribbeke omdraaien bij het horen van die kleffe, kleverige liederen die over hem, over de sneeuw, over herderkes en stille nachten gezongen worden? Geloof me, het zou waarlijk een wonder zijn wanneer dat gebeurde.

Ik denk dat ik dan acuut zou beginnen met geloven.

Categorieën
Column

Wafel

Nu de maand december ook dit jaar toch maar weer eens binnen is gestapt, lopen herinneringen niet naar buiten, maar te hoop. Aan de keukentafel. Terwijl mijn lief handig in de weer is met stoffig meel, gist, pollepel en andere attributen die zij, als volleerde bak- en kookkoningin, handig gebruikt en hanteert, keren mijn gedachten terug naar de bakkende handelingen der keukenprinsessen uit mijn tijd als ‘jungske’ van een jaar of 6, 7, 8. Grote wafelijzers, loeizwaar wanneer ze mij op mijn dolende pad door mijn jeugd in de weg stonden en gloeiende gloeiend heet, zo werd mij indertied altijd verbaal voorgehouden, wanneer ze op het vuur van het grote keukenfornuis lagen. Netjes passend in een soort vierkante ringen werden ze zo op hun plaats gehouden, boven het vlammende vuur. Hoewel ik het woord modern toen – heel erg begin jaren 60 van de vorige eeuw – nog niet kende, vond ik die ijzers wel al modern. Zeker op die vierkante ringen op het fornuis.

Steeds maar weer ging dat ijzer open, de gebakken wafels eruit, opnieuw ingesmeerd met een in olie of boter ingevette doek, deeg erin of erop, deksel dicht, even hard en goed wrijven, wachten en vervolgens op tijd het wafelijzer keren ter voorkoming van aanbranding. Af en toe of tussendoor nog een blok hout of een lading ‘sjlamp’ erbij, zodat het vuur weer hoog en ‘gleujentig’ heet oplaaide. En tussendoor groeiden de stapels bereide wafels gestaag.

Stapels zachte, in mijn indertiedse ogen en handen, reuzenwafels, met of zonder rozijnen. Stapels, kleine, ronde wafeltjes en die iets grotere daartussen. Lekker krakend krokantig hard en kruimelig.

De gestaag groeiende stapels die tijdens het groeien ook weer daalden, want er waren toen hongerige monden in overvloed. Een beker warme melk met een flinke lepel cacao en genoeg suiker erbij en smullen maar. Maar het aller-, allerlekkerste waren toch die bolletjes deeg, voor die kleine ronde wafeltjes. Rauw gegeten, zo uit het kinderhandje. Heerlijk…

Eigenlijk waren die nog lekkerder dan de lekkerste wafel. Toch?

Categorieën
Column

Dorpstaal

Ik las van de week de column van Roel Wiche. In een echt Limburgs dagblad, omdat het tegenwoordig ook op zondag verschijnt. Een column over de Limburgse taal. Die Limburgse taal, de laatste weken steeds opnieuw een spraakmakend onderwerp. In zijn column maakt Roel gewag van een stelling die tijdens een onlangs gehouden debat in het Limburgse gouvernement werd geponeerd: Maak van het Maastrichts de enige echte officiële Limburgse taal. Nu weet ik niet welke welketaalsprekende individuen aan dat debat deelnamen, veel Limburgers zullen er niet bij gezeten hebben. Misschien een paar verdwaalde dorpse stadsmensen – zo noem ik de ‘Sjengen’ – en wellicht een verdwaalde ‘boer’. En ik veronderstel dat de Sjeng der Sjengen, Sjo Vinis in hoogsteigen persoon, deze stelling ter tafel heeft gebracht.

Laat ik vooropstellen dat ieder sprekend individu zijn stellingen en meningen mag verkondigen, want vrijheid van meningsuiting is een heel groot goed. Ook domme ideeën, hoe ridicuul die ook zijn, vallen daaronder. Maar als je weet dat in dit wormvormig aanhangseltje van een ook al niet van enig chauvinisme gespeend landje, iedere vijf kilometer een ander dialect wordt gesproken, woorden soms en vaak ook vaak een andere betekenis hebben, dan zou je zo’n stelling toch niet durven poneren. Het is alsof je zegt: “Mensen, Nederlands wordt vanaf nu de wereldtaal. Fuck off, Engelse taal.”

Ik veronderstel dat Sjo Vinis deze stelling samen met zijn gestropdaste vriendjes aan een of ander buffet in een kroegje, verborgen in een smal straatje, heeft bedacht. Uiteraard na inname van de nodige spiritualiën. Wetende dat het gros van de provinciale ‘beheijmakers’ vooral niet behept is met enige kennis of spraak van de Limburgse taal. En wat die Limburgse taal betreft… die bestaat echt niet. En mocht er ooit een Limburgse taal komen, dan hoop ik dat, neen, dan moeten de dorpse dialecten gewoon blijven bestaan, zowel in schrijf- als in spreektaal. Streektalen en dorpsdialecten. Dat is toch cultureel erfgoed. En erfgoed is beschermd! Toch?

Ik zal de penningmeester van Indertied in ieder geval wel attenderen op het miljoenenpotje dat vanaf 2024 over de provincie wordt uitgestort om de Limburgse taal te bevorderen. Dialecten vallen daar volgens mij ook onder. Dan zou Indertied mèttertied misschien een (deeltijdse) meester of juffrouw kunnen bekostigen.

Eentje die het vak Bergs en Terblijts dialect,  dus ónze unieke dorpstaal, gaat onderwijzen.

Categorieën
Column

Luier

Voorheen zat ik aan de keukentafel de dagelijkse ochtendkrant te lezen tijdens het ontbijt. Mijn lippen af en toe brandend aan de veel te warme thee. Nu krijg ik die krant in digitale vorm aangereikt zonder dat een krantenbezorger de brievenbus laat klepperen. Maar omdat ik mijn computer gezelligheidshalve niet op de ontbijttafel heb staan, zit ik nu – bijna gedachteloos maar wel oplettend met de theemok in de andere hand – wat te Instagrammen. Wat reels te bekijken. Dat is, voor de duidelijkheid, een van de features van Instagram.  Als deze uitleg door de lezer al als duidelijker wordt ervaren.

Maar terug naar die reels (in het kort: dat zijn korte filmpjes). Een reel over ‘diapers’, goed Engels voor luiers, flitst langs. En bij mij flitst opeens een herinnering uit mijn jeugd, dus al heel lang geleden, voorbij. Iets wat toen meestal op maandag, maar gaandeweg de gezinsuitbreiding, ook op andere dagen plaatsvond.

Ik zie ze weer hangen aan de ‘wesjdräöj’ in onze grote achtertuin. Die grote witte, vierkanten doeken. Daarom noemden wij ze toen ook stuk voor stuk, ‘dook’. Omdat wij het woord luier toentertijd en ook indertied nog niet kenden. Wanneer die witte luiers, die ‘deuk’ aan de wasdraden hingen te drogen, was het ons van ouderhand uitdrukkelijk én streng verboden om te voetballen in de tuin, tussen de waspalen en onder die behangen wasdraden. Want voet, trap, bal, vuil, knal. Weg wit. Gebeurde dat niet luisteren, tja, dan moesten die niet meer witte luiers weer opnieuw gewassen worden in de ‘sjtál’. In de grote, ronde ‘wesjkoep’, de volstrekt onautomatische wasmachine waarin de ‘sjlinger’ heen en weer witwaste en met de grote ‘wesjlknöppel’ moest roeren om de hoeveelheid was weer onder te dompelen om een betere reiniging van die luiers te verkrijgen. Dat onderdompelen met die grijswitte, houten ‘knöppel’ (dat was trouwens een door hitte, wasmiddel en veelvuldig gebruik, uitgebeten stok), was (gelukkig) niet mijn werk. Want ik, nog te jong, te klein, te zwak. Neen, mijn mam dompelde en roerde met meer dan enige regelmaat dan in en door die wastobbe. Daarna gingen die luiers en natuurlijk ook andere was, wederom met behulp van die wasknuppel door de wringer, die ook al handmatig door mam bediend moest worden. Daarna ging het uitgewrongene in de ‘wesjmangel’ en daarna gingen de ‘deuk’ aan de waslijn, de ‘wesjdraod’, en werden ze vastgepind met ‘wesjpinne’. Of gewoon op de ‘bleik’ gelegd. Gespreid op het gras. En de voetbal werd, voor de witte zekerheid, tijdelijk en veilig opgeborgen. Uiteraard… Dit laatste tot groot verdriet van ons, sportmannen van nog niet tienerse leeftijd.

Ik keer weer terug in het heden. Verlaat het verleden en ook Instagram. Nip voorzichtig aan de dampende mok thee en besef dat men tegenwoordig het begrip ‘luiers wassen’ niet meer zal kennen. Nu worden de baby’s enkele keren per dag (of nacht) gepamperd en worden de voorgevormde, van gootjes voorziene luiers gevuld en al in de ‘drekzak’ opgeborgen of in de daarvoor bestemde container gekieperd. Dat noemt men vooruitgang, ook al lijkt het mij meer een resultaat van de achteruitgang. Maar wat ik mij aan de ontbijttafel het meest afvraag …

Is de mens daardoor ook luier?