Categorieën
Column

Sleeën

Het is lang geleden, hè. Zó’n dik pak sneeuw op ons dak, in de tuin, op de wegen. Het land bijna compleet ontwricht. Treinen en bussen die niet meer rijden, vliegtuigen die niet meer durven landen. Hopelijk hebben die wel genoeg kerosine in de tank om door te vliegen naar warmere, onbesneeuwde oorden. Enfin, het hele land is in rep en roer en slechts een deel verpakt in zeldzaam wit.

Mijn schrijvende gedachten keren terug, naar het verleden, het verre verleden. Toen sneeuw, vooral in de winter, nog iets alledaags was. Waar je naar uitkeek, waar je al vroeg mee bezig was. Zoals de hardschaatsers tegenwoordig hun schaatsen slijpen, zo slepen wij de ijzers vroeger, met de zjwaars van het spek. Misschien daarom de uitdrukking ‘spekglad’? Ik weet het niet. In ieder geval werden de ijzers gesmee(r)d omdat het koud werd. Buiten…

Dan ging de sjleij, hangend en glijdend aan een touwtje, achter de sleeërs aan. Richting de ‘Kruitzer’, want daar was het te doen. Op de steile helling achter het café. Vanaf drie plekken scheerde je – de echte stoeren liggend op de slee, de neus vlak boven het sneeuwdek, want dat was de max, de minder stoeren zittend – naar beneden om ergens halverwege samen te komen op dat ene, vaak ijzige pad. Voorrang verlenen? Daar had nog ooit iemand van gehoord. Het was van op good gelök en sjleije mer. Dat er dan wel eens gebotst werd, tja… dat hoorde erbij. Want ‘waar gesleed wordt, botst het soms’. Toch?

En ja, bij het de berg terug omhoog lopen, klimmen, klunen, kruipen, kon het wel eens gebeuren dat je vergat je handen te gebruiken wanneer je voorover in de sneeuw kukelde omdat opeens de voeten achter- of onder je uit gleden. Dan klapte je met je gezicht op de vaak ijzige bodem van de sleebaan. Dat er zich dan een neus tussen baan en gezicht bevond, tja, dat merkte je wanneer dikke bloeddruppels verschenen en vooral tranen van pijn vloeiden. Knijpende vingers onder de knokkel van de neus en troostende woorden van de medesleeërs moesten het bloeden dan doen stoppen en soms, wanneer die aanwezig was, was er een zakdoekje, voor het bloeden. Maar meestal tegen. Het bloeden.

Maar eens het leed geleden en het enthousiasme weer teruggekeerd, ging het weer hard, van boven naar onderen. Als het lukte, onder de prikkeldraad van het volgende weiland door. En ja, hoe verder je gleed met de slee, des te verder moest je ook weer terug. Lopen, klimmen, klunen, kruipen. We hadden het er graag voor over.

Totdat de winterse schemering zijn intrede deed. Dan werd de wandeling naar huis weer aangevangen. De ‘Riekswèèg’ over, door de weilanden of akkers, al naargelang uit welke vriendjes de groep bestond. En pas tijdens de terugwandeling merkte je hoe koud het was, hoe pijnlijk de vinger- en teentoppen aanvoelden en hoe hinderlijk de ijspegeltjes aan je neus konden hangen.

Thuisgekomen ging de slee in de sjtal, netjes rechtop zodat de ijzers konden drogen en vooral niet gingen roesten, de schoenen uit en dan de keuken binnen om daar op mama de moeder te wachten die, door vele sneeuwwinterse jaren wijs geworden, de sleeërs eerst ietwat liet ontdooien om dan pas toestemming te geven tot enige opwarming bij de voor verder ontdooien zeer geschikte kachel. Wetend dat er morgen weer een sneeuwsleedag was. En dat laatste is dan tegenwoordig ongewis. Want wanneer het nu vriest en sneeuwt, staat de dooi alweer aan de deur van de volgende dag te kloppen.

Door Edmond Ackermans

Edmond Ackermans