Mijn vrouw is driftig bezig. Met bakken vol loopt zij niet van hot naar haar, maar van cold naar iets minder koud. Van de vrieskast binnen naar de natuurlijke en ruime vrieskist buiten. Want nu is het blijkbaar dé tijd om de vrieskast binnen te ontdooien en de vrieskist buiten, beter bekend als balkon, tijdelijk op te zadelen met een drietal goed gevulde laden ingevroren – en na ontdooiing – eetbaar spul. Ik zit erbij en kijk ernaar. Naar het heen-en-weerse geloop van mijn vrouw. Ik wil haar wel helpen, maar zij vindt – omdat zij op dit lumineuze idee kwam – dat zij haar idee dan ook moet uitdragen i.c. van binnen naar buiten dragen. En wie ben ik om haar van die gedachte af te brengen?
Dus laat ik mijn gedachten – terwijl mijn handen de grote XXL-mok gevuld met warme kaneelthee omvat houden – weer eens terugkeren naar tijden van lang geleden en weleer. Toen een koelkast nog geen gemeengoed in de Nederlandse huishoudens was. Toen de kelder een redelijk alternatief was maar vers vaak vers vanaf de kar met paard, de groentewagen of uit het busje geleverd werd. Door Frans de visboer, Sjeuf de groenteboer of Sander de melkboer. En ik of een mijner broers of zussen het vers vlees bij Sjo of Sjeng moesten gaan kopen.
Wat moet het een verademing geweest zijn voor de huishoudens toen de prijzen van koelkasten eindelijk naar een betaalbaar niveau daalden en gezinnen konden gaan beschikken over dit toen ultramoderne keukenmeubel. En voor mij, die als jong jochie met korte beentjes, de gang naar Sjo niet meer dagelijks hoefde te maken. Of erger, wanneer Sjo het gevraagde vlees niet op voorraad had, nog eens helemaal naar Sjeng aan de Grote Straat moest lopen. Dat was een soort van helletocht en het was toen ook steeds bij mij de vraag wanneer ik dus van bij Sjo richting Sjeng liep of ik de Vièhsjtraot tot aan de Groate Sjtraot af zou lopen, of dat ik het wèske (ter hoogte van nu de Blokbrekerstraat) zou nemen en dan door zou steken naar de Geulemmerwèèg, want dat zou korter kunnen zijn. Alleen dan moest ik wel dat stuk Geulemmerwèèg omhoog, wat voor mij toch wel een inspanning betekende. Ik probeerde dan te tellen hoeveel pasjes ik maakte wanneer ik via de Vièhsjtraot richting Sjeng dribbelde of via dat wèske. Hoeveel pasjes het waren? Ik zal het nooit kunnen vertellen omdat ik telkens ergens na honderd pasjes de tel kwijtraakte omdat mijn hoofd, mijn gedachten en ik met één ander ding bezig waren. Namelijk het proberen te onthouden van de vleessoort die ik nog bij Sjeng moest kopen. Want ik voelde mij in de winkel bij Sjeng dan een hele grote pief van nog geen 100 centimeter wanneer ik – zonder op het door mijn moeder geschreven boodschappenbriefje te kijken – kon zeggen dat ik 200 gram rauwe ham moest hebben. Dat Sjeng dan iets zei van ‘twiè óns rauw sjink’ snapte ik dan weer niet. Dan gaf ik hem toch maar gauw mijn briefje om te laten zien dat ik echt 200 gram rauwe ham moest hebben. Glimlachend keer ik terug uit mijn gedachten, beland ik in het heden en volgen mijn ogen mijn vrouw, die weer een bak met bevroren spullen van de vrieskast binnen naar de natuurlijke vrieskist buiten draagt. Onbewust tel ik haar stappen. Zestien.
