Ik zie me nog lopen. Voor mijn gevoel alweer zo’n honderd jaar, want lang, geleden. Trots als een pauwtje in mijn allereerste cowboypakje. Op mijn hoofd een uit de verfrommeling gehaalde vilten ‘kojbojhoed’ die bij de aankondiging van de eerste de beste regendruppel al begon te rimpelen en te krimpen. In de holster, aan mijn rechterzijde, een heuse revolver, die eigenlijk voor mij, als linkshandige pistolero, totaal verkeerd zat. Maar ja, die holster aan de linkerzijde bevestigen was geen optie, want dan zat die holster achterstevoren en dat zag echt niet uit. In mijn en ieders ogen.
Maar die revolver. Een zilveren wapen dat je kon openklappen en waar je een rolletje ‘knekkerkes’ in moest frommelen. Ja frommelen, want mijn vingers waren toen niet bij machte – tegenwoordig trouwens nog niet – om dat rozerode rolletje in het revolvermagazijn op een nette en juiste manier over dat vermaledijde pinnetje te schuiven.
Die ‘knekkerkes’ die je kon laten vlammen wanneer je er met de nagel van je duim over kraste. Die zo’n vreemde geur afgaven. Vraag me nu opeens af of dat wel zo’n gezonde geur was die wij opsnoven. Maar toen bestonden er volgens mij nog geen instanties die dit soort munitie onderzochten en eventueel van een of ander goedkeuringspredicaat voorzagen. Het rook gewoon naar… ja naar wat?
Die ‘knekkerkes’ die je ook onder een springveertje van een soort van raketje kon leggen, friemelen, schuiven, proppen of duwen, al naargelang je handigheid. Dat raketje dat je dan de lucht ingooide en je dan een kleine ‘knek’ hoorde wanneer de punt van het raketje met de aarde, meestal het asfalt, in aanraking kwam. Tot groot jolijt van de kleine jeugdige ‘kojbojs’, waaronder ik dus.
Cowboys en indianen, dat waren eigenlijk de enige twee soorten uiterst jeugdige en mannelijke carnavalisten bij ons in de straat en om de hoek. De indianen getooid met kleurige strepen in het gezicht en dito veren op het hoofd en wij, cowboys met hoed en onder de neus een stoere zwarte snor, aan beide zijden brede zwarte bakkebaarden en boven de ogen dikke ook al zwarte wenkbrauwen, door pap of mam getekend met een kurk die enige tijd boven het vlammetje van een kaars was gehouden. Dat enig onbewust gewrijf door het gezicht dan zorgde voor uitgelopen zwarte strepen (zou Alice Cooper bij ons zijn inspiratie hebben opgedaan?) hoorden we pas wanneer we weer binnenkwamen om te eten.
Onze buurt en zeker de wei van de ‘Prick’ – of was het toen de wei van ‘Goassens’? – vormde het decor van een uiterst Wild Westen, ook al lag onze buurt toen nog in het oosten van Berg. Hoe vaak ik daar met carnaval niet iemand doodgeschoten heb, daarna weer heb zien verrijzen, ontelbaar. Maar de herinnering is en blijft onbetaalbaar …



