Terwijl de zon prikkelend schijnt, de ogen verblind worden door diezelfde zon en het verkeer op de Riekswèèg zich vooral niet aan de voorgeschreven snelheid houdt, schuift – op het zelfde bankje waarop ik vorige week de gezellige bankontmoeting had met de voeshamerhauwer – opnieuw een, denk ik, om een praatje verlegen prater aan.
Het weer is het eerste gespreksonderwerp maar weldra gaat het over de teloorgang van de voor een dorp zo traditionele gebruiken. Ik vraag hem naar de traditionele gebruiken die hij bedoelt maar hij weet er niet direct eentje te noemen maar, zie en hoor. Wanneer de kerkklokken hun beierend gebimbam over de omgeving uitstrooien laat hij weten dat het hem pijn doet om ieder jaar te constateren dat de zomerkermis in Berg niet meer de kermis is die het vroeger was. Geen orkestjes meer in de cafés (cafés??), geen vertier meer op het kermisterrein, toen er nog geen marktplein was, tegenwoordig alleen nog een half handjevol verenigingen dat deelneemt aan de processie, weinig versierde straten en het ergste… geen vlaai meer eten op kermiszondag bij zijn familie. Al dat mooie, gezellige en smakelijke. Weg. Opgeruimd. Vergeten. Blijkbaar overbodig geworden. Niet meer nodig.
Zijn blik wordt treuriger en treuriger. Nostalgie twinkelt zachtjes uit zijn ogen. Hij lijkt op te veren, zakt weer terug. Ik vraag hem of hij zelf wel nog iets doet aan kermis. Hij haalt zijn schouders op, knikt ontkennend. Of hij wel nog mee zou willen helpen aan een soort van wederopbouw van de kermis, terug naar het feest wat de kermis indertied toch wel was? Hij knikt wederom ontkennend en mompelt zachtjes voor zich uit dat hij daar tegenwoordig geen tijd meer voor heeft. En eigenlijk ook geen zin.
Tjah…
