Wanneer ik langs de samengetroepte mensenmenigte wandel, valt mij iets op. Ja, niet de mate van inname van drank en het ruimschoots inhaleren van sigarettenrook. Neen, het is de achteloosheid waarmee overtolligheid op de grond wordt gekeild. Blikjes, viltjes, peuken, flesdopjes. Lukraak rolt het overtollige over het beklinkerde terras. En niemand die iets zegt…
Ja, wel doet. Een al wat (wat?) ouder iemand, die zich waarschijnlijk mateloos ergert aan de achteloosheid van de aanwezigen. Hij bukt, veegt, raapt, verzamelt. Zwijgend. En de aanwezigen zien het, zeggen niets. Gaan door met hun bijna blinde achteloosheid. Hebben geen medelijden met de oudere iemand. Zien de aanwezigheid van rotzooiverzamelpunten compleet over het hoofd of… het interesseert hun niet. Ja, wie de jeugd heeft, heeft de toekomst… en dus ook de rotzooi.
Was dat in mijn jeugd ook zo? Die achteloze wegwerping van overtolligheid? Van rommel? Van rotzooi? Hij zal er ongetwijfeld geweest zijn. Maar toen waren er maar weinig mogelijkheden waar je die overtolligheid kwijt kon. Hier en daar een vuilnisbakje, met de nadruk op ‘je’, aan een lantaarnpaal. Of dat kwam omdat de mens indertied netter was? Ik waag dit níet te betwijfelen.
Het is een tegenwoordig, dus normaal beeld. Tientallen prullen- en rotzooibakken langs de weg, op openbare plekken, ja zelfs bij sport- en andere vrijetijdsvelden. En toch… ze worden niet gebruikt, over het hoofd gezien. Of is het gewoon de voortschrijdende luiheid van de mens? Of gewoon de gedachte: Er is altijd wel een ander die mijn troep opruimt.
En het laat de mens dan ontzettend koud dat die ander een veel, héél veel ouder iemand is… Jammer!
