Neen, deze titel heeft geen betrekking op een kleintje dat men normaliter onder aan de Cauberg vindt. Deze titel betreft het springen van een bok, of beter, het springen over een bok. Herkent de oudere mens dit spelletje nog? Bökske sjpringe?
Als ‘bok’ voorover gebukt staand, de handen leunend of steunend op de bovenbenen, vooral niet onder de knie (oké bij de kleinere bokspringende mens mocht dat wel) en wachten op wat komen ging of ging komen. En dan maar hopen, dat zij die kwamen hoog genoeg sprongen, de handen op de juiste plaats op de rug van de ‘bok’ plaatsten en, vooral op tijd, de benen wijd zodat de bok niet ondersteboven donderde. Ja, dat gebeurde ook. Vraag maar de indertiedse bökskes die gebukt stonden, in afwachting van een springende ik. De snelle aanloop lukte mij nog wel, de handen op de rug planten ook nog, maar dan… dan sloeg de schrik mij om het hart, haperde mijn afzet en lag de bok op zijn gat, rug of zij en haperde het spel. Want ongerechtigheid was, door mijn deelname, weer eens geschied. Veiliger was het wanneer ik als bok ging staan. Dan kon de menselijke bokkenslinger op de speelplaats of in de gymzaal onbegrensd doorgaan. Tot groot jolijt van de soms vele springers.
Waar die angst vandaan kwam? Het zal te maken hebben gehad met een gewaagde jump van mij indertied in de gymzaal. Hééél lang geleden. Toen ik na mijn zwevende vlucht richting de vierpotige bok niet genoeg hoogte meer had om veilig aan de andere kant op twee voeten te landen. Toen ging er ergens iets ernstigs mis en had ik opeens een onverwacht en best wel hoog stemmetje. Ja, dat zal er ongetwijfeld debet aan zijn dat mijn bokjesspringkunsten zich daarna niet verder ontwikkeld hebben. Maar vreemd was het wel dat ik die angst bij het spelletje muurbok dan weer niet had. Muurbok of moerbok. Ook een heel leuk spel en ook leuke stof voor een volgende column.
