Categorieën
Column

Koeien

Wandelend door mijn ooitse woonstraat, steek ik de hele lange straat over en wandel over de geplaveide straat omlaag en na de bocht weer omhoog. Mijn gedachten wandelen, uiteraard, weer met mij mee en keren, niet voor het eerst, weer terug naar ooit. Toen dat wijkje, dat er nu is, nog niet was. Alleen weilanden en een onverhard, vaak drassig pad, langs de afgerasterde moestuin van Lowieke Ubags, richting die weilanden. En in die weilanden, grote delen van het jaar, grote koeien. Héél veel grote koeien. Nieuwsgierige grote koeien ook.

Als klein menneke en ook lang later toen ik al wat groter was, had ik best wel veel, héél veel ontzag voor die zwartwitte achthoevigen. Ze keken je toen – en nu nog trouwens – altijd met zo’n indringende, dwingende blik aan. Alsof ze wilden en willen zeggen: “Menneke, wat mós dich?”

Dus indertied, wanneer ik het eind van dat pad dat naar een weiland voerde, bereikte, keek ik altijd of er koeien in dat weiland liepen. Niet? Dan wriemelde ik me door het hek, wat je eigenlijk geen hek mocht noemen, want gammele prikkeldraad en wat kromme palen, en stapte monter door dat weiland. Maar… stonden er wel koeien in die wei, dan was ik – door angst en respect voor die koeien – genoodzaakt om via de belendende weilanden de voetbalterreinen te bereiken.

Ooit kwam ik terug van die terreinen en kroop ik door de prikkerige draden van die wei, want geen koe te zien en stapte monter, de vele flatten ontwijkend, door die wei. Stonden daar opeens zeker tien koeien, maar het zouden er ook minstens honderd geweest kunnen zijn, voor mij. Ik verstijfde en zocht vervolgens een goed heenkomen, rennend, de wei omlaag. En die koeien, rennend, achter mij aan. Tot aan de tankeldraod. Die draad blokkeerde mijn vluchtweg. Eronderdoor? No way (al kende ik toen nog geen Engels), want modder en grote, verse flatten. Daar stond ik dus, die hele koeienkudde voor mij, modder, flatten en draad achter mij en ik als het huilende middelpunt. Indringend keken zij me aan, alsof ze me wilden opeten.Wist ik toen veel dat die beesten het herbivorisme aanhingen. Ik zwaaide wild, schreeuwde luid, huilde bittere tranen en die beesten? Die keken alleen, lodderig. Er kon geen boe of bah vanaf.

Uiteindelijk, door de koeien gedwongen, heb ik dan toch voet gezet in de modder en flatten en ben ik op mijn blote knieën – want korte broek – naar de nevenliggende wei gekropen, heb met het water uit de grote, ronde drinkbak in die wei, zo goed en zo kwaad mogelijk mijn handen, knieën en schoenen gereinigd en ben huiswaarts getogen, waar mamma vroeg hoe ik aan de ‘vijf’, die scheur op de achterkant van mijn shirt kwam.

Door Edmond Ackermans

Edmond Ackermans

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *