Wij fietsers zijn hongerig. Onze magen rammelen. Dus wordt het sein ‘maag vullen’ gegeven. Ergens halverwege onze fietsrit door het Nederlands en Belgisch Limburgse. Op een knooppunt van paden en wegen. Onze fietsen gaan aan de kant en op de steun. Er wordt gegraaid in de fietstassen. Boterhammen en broodjes met beleg verschijnen ter picknicktafel. Maar het is de geur van rijpe bananen die onzichtbaar boven de tafel zweeft. De boterhammen en broodjes zullen er weldra ingaan als koek, maar eerst moeten de bananen verorberd worden want rijp, waarschijnlijk overrijp en bovenal dus geurend. Ze worden voor- en omzichtig ontdaan van hun gele, zwartgestippelde schillige kleedje en de verschenen inhoud glijdt subiet tussen de lippen der verorberaars.
Even is het stil. Heel stil. Maar dan heft een niet-bananeneter een lied aan. Een indertieds lied. Luid schalt het rond de tafel, over het knooppunt van wegen. Passanten kijken geschrokken naar onze tafel.
“Banaan, banaan en Berg sjteit baovenaan en van je helahola hou…”
“Ouw banaan,” onderbreekt een der kauwende en misschien ook wel geschrokken banenetende luisteraars, de zanger: “Dat moet dan toch echt een heel ouwe banaan zijn.”
Er wordt eerst hard gelachen en dan verder gegeten en ook gedronken. Boterhammen, broodjes, een laatste banaan stillen de honger en de inhoud van de flesjes drank lessen de dorst.
En terwijl ik mijn flesje drank leegklok zing ik in gedachte, met een vragende variatie op de originele tekst, het volgende couplet: “Citroen, citroen wanneer werd Berg nog eens kampioen?”
Ik geef mij zelf, nog steeds aan mijn flesje drinkend, zwijgend antwoord: “Alweer lang, ja veel te lang geleden…”
