Categorieën
Column

Rómmedoe

Het zal zo’n 25 jaar geleden geweest zijn. In een periode dat ik nog werkte. In het Paleis, in een werkkamer met naast die kamer, een printerkamer. Met verschillende, normaal altijd werkende printers. Alleen die dag, heel vroeg in de ochtend, deed de belangrijkste, de veelprinter, niet wat van hem verwacht werd.

Ik riep telefonisch de hulp in van een bedrijf dat specialisten uitzond die printers weer aan het printen kregen. Niet veel later stond er een tot repareren bereide monteur in de deuropening van mijn werksuite. Een bedaarde man met twee gereedschapskoffers. Hij was van origine een Engelsman, zo vertelde hij bij onze kennismaking. En hij deed echt dapper zijn best om goed Nederlands te spreken. Ik vroeg hem hoe lang hij werk zou hebben omdat ik nog een paar boodschappen moest doen in het nabijgelegen winkelcentrum.

Hij: “Ik denk een uuwrtje, misschrien wat langewr, misschrien wat kowrtewr.’
Ik: “Okay. Dan ben ik even weg. Tot over een uurtje.”
Hij: “Tot ovewr een uuwrtje. Ofso.”

Drie kwartier later was ik terug met een goed gevulde boodschappentas met daarin o.a. een heerlijk geurende Limburgse kaas van Hervese origine en een pak roggebrood, dun gesneden. Ik snelde naar de koffieautomaat en vulde een mok met warm water, om thee van te maken.

Terug in mijn werksuite belegde ik een eerste snee met die geurende kaas, schoof die mondig naar binnen en net op dat moment kwam de monteur, luid snuivend, de suite binnen met de vraag of hij met ‘the office in Aaindhoven mocht bellen’. Ik schoof de bureautelefoon – gsm’s waren toen nog geen algemeen belmiddel – naar hem toe en hij toetste het ‘Aaindhovense nummer’ in. Terwijl hij telefonisch met iemand van ‘the office’ belde, belegde ik een tweede snee, nam die ter hand en hield die snee omhoog, onder de neus van de verbaasde monteur. Zijn hoofd ging achterover, zijn ogen gingen dicht en zijn neus heel erg ontwijkend omhoog. Hij snoof en zei tegen ‘the office’: “Hiewr zit een manneewr en die heeft bwrood met iets ewrop dat ewrg wraawr wruikt.” Waarschijnlijk vroeg de andere kant waarnaar het rare dan rook want hij zei: “Dat weeit ik niet maawr het wruikt wel héél erwg wraawr.”

Nogmaals hield ik de snee onder zijn neus en hij deinsde verder achteruit. Ik kon nog net voorkomen dat de telefoon van het bureau afdonderde. Ik keek hem lachend aan en schoof toen de snee met Limburgse kaas in mijn mond. Zijn ogen werden heel erg groot, hij legde een hand op de hoorn en vroeg verbouwereerd: “U eet dat spul ook nog op?”

“Jazeker, héérlijk.”
Ik zag hem denken: “Getvewr…”
Hij rondde het gesprek af, legde de hoorn neer en zei: “Echt? U vindt dat lekkewr? Unbelievable.”
“Dit is een Limburgse delicatesse.”
“What is that dan?”
“Echte Limburgse kaas, rómmedoe, stinkkaas.”
“Ja, zeg dat wel. Stinkkaas.”
“Proeven?”
“Eh…, no, neen, thank you. Ik heb geen hongewr. Meewr…”
“Man, je weet niet wat je mist.”
“Nah… ik weet zekewr dat ik niets mis.”

Hij begon, met een wuivende hand voor zijn neus, zijn werkbon in te vullen en een collega kwam luidruchtig fluitend de kamer binnen, wilde spontaan een middagse begroeting uitroepen maar kwam na enig, vooral heftig gesnuif, niet verder dan: “Mieljaar, hei stink ’t nao zwèètpuuh!”

De monteur knikte heftig ‘yes’ en op dat moment begreep ik dat hij ook dialect verstond…