Zittend op een stoel op de zaterdagmorgen – zoals ze dat soms nog wel eens zeggen – mijn zonden te overdenken, moet ik opeens denken aan mijn allervroegste jaren. Aan de gedwongen bezoekjes aan het Greun Kruus. Op de hoek van de Doctor Goossensstraat en de Valkenburgerstraat. Tegenover de zaak van Harrie Derrez en schuin tegenover dat grote, hoge gebouw. De kerk. In dat gebouw van het Groene Kruis werd ik, werden wij kleintjes, bij tijd en wijle flink gemarteld. Toch? Wanneer er een spuit in een onzer arme armen werd gejast. Door de zuster van dienst, beter, door de zuster van marteldienst.
Ooit, in de tweede helft van de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen ik nog heel klein en dus ook nog heel jong was, dribbelde ik aan de hand van en naast mijn mam naar de in dat gebouw aanwezige martelkamer. Ik wist dat er (weer) een gat in mijn arm geprikt ging worden en – zo klein als ik was – had mij voorgenomen om dit keer niet te huilen wanneer het martelwerktuig in mijn arme armpje geramd zou worden. Ik wilde ook niet op de tafel in een van die met houten schotten afgezette vakken gezet worden (was dit om te voorkomen dat ze mij moesten vangen, mocht ik wegrennen?), neen, ik wilde stoer staande op mijn stevige, wankele beentjes die naald in mijn arm ontvangen.
Een flinke veeg geel spul ging over de plek waar het naderend onheil zou priemen, de arm werd steviger vastgehouden en – ik mocht niet kijken – ik voelde hoe de spuit door het vel, in de arm werd geduwd. Zuster Martelia (niet haar echte naam) liet daarna gelijk mijn arm los en ik draaide een, twee, vier rondjes om mijn tweevoetige as en kwam tot stilstand met mijn handje in de hand van mam. Het huilen stond mij ruim nader dan het lachen, maar het lukte mij om niet te huilen na deze perforatie. Ik kreeg van mam een trotse aai over mijn toen spierwitharige bolletje. En wat deed Martelia? Die gaf me een lolly. Zo kocht men toen dus geweld af. Vraag me nu – nog steeds zittend op die zaterdagmorgenstoel – af of die Martelia indertied iedere week in de biechtstoel kroop en dat martelende, groene kruiselijke geweld, dat waren toch zonden, opbiechtte aan pastoor. Of kapelaan.
