Zittend op mijn rug in een stoel die zo lui is dat ik er zelf ook lui van word, lig ik met mijn ogen dicht te bedenken waarover mijn nieuwe column zou kunnen gaan. Mijn gedachten zwerven dus tussen die huidige luie stoel en indertied en weer terug. Ik word er zelfs moe van. Maar het langzame gestuiter in mijn hoofd voert mij opeens rechtstreeks terug naar onze straat, de Penderssjtraot, begin jaren zestig. Van de vorige eeuw, voor alle duidelijkheid. Ik zie de meisjes en sommige jongens in de straat en om het hoekje weer kronkelen op de plaats met om hun middel een grote ring, de hoelahoep. En ook zie ik mij, de hopeloze hoelahoepelende hampeleman, weer heupwiegend proberend die hoepel rond mijn middel te houden.
Of dat toen lukte? Wat denk je? Het enige waar ik goed in was, was de hoepel weer oprapen wanneer hij na twee draaiende en heupwiegende pogingen opnieuw op de grond lag. Waar bij andere, betere hoelahoepers de heupen steeds losser werden, werden bij mij de rugspieren steeds steviger. Door dat bukken natuurlijk, maar of dat constante bukken natuurlijk was, durf ik nu ten zeerste te betwijfelen.
Opgeven was indertied niet echt een optie, maar wanneer je moedeloos wordt van de vele, nutteloze pogingen, dan komt zo’n opgeefoptie wel heel snel dichterbij. Wat dus ook gebeurde. Uiteindelijk besefte ik dat de hoepel ook mooi en/of gewoon kon dienen als reip en werd het reipen, niet een nieuw, maar wel een ander bijkomend en vooral rennend tijdverdrijf. Wanneer de soepele hoelahoepers hun heupen met de benodigde regelmaat wiegden, rende ik als een bezetene meestal naast, maar vaak achter de rollende soms stuiterende hoelahoep. Zo was iedereen in de straat en om het hoekje, meestal op woensdagmiddag, dan toch sportief heel goed bezig.
Totdat om vier uur des middags de mamma des huizes vanuit de keuken riep om een boterhammetje te komen eten. En dat ging mij duideljk beter af dan dat vermaledijde gehoelahoep. Toen en nu nog…
