Het is niet echt weer om op het bankje te zitten, ronduit fris maar gelukkig niet winderig. Dus zit het al bij al wel mee op dat bankje, zeker omdat de benen stilletjes roepen om even zit op de plaats te maken, aan welker roep ik gaarne voldoe. Onder of beter, voor mij stroomt de Geul zich al ontelbare jaren een weg door de Geulhemse, ook Limburgse bodem. Richting Voulwames, maar dat plaatsje is redelijk ver weg. Dus het water moet nog even.
Ik volg een tak die op en onder water drijft, soms blijft hangen in het ook al hangende struikgewas dat groeit op beide oevers van dees’ smalle stroom der Geul. Jasses, wat gaat er om in mijn hoofd? Hoofdschuddend probeer ik mijn gedachten te ordenen, iets dat niet direct wil lukken.
Dan maar weer een blik werpen op de drijvende tak die blijkbaar een pauze heeft ingelast, getuige de hangplek waaraan hij zich enigszins verbonden heeft. De smalle stroom rukt aan hem, doet hem lichtjes stuiteren, maar een opstuwing in de vaart der takken is de tak niet gegund en misschien wil de tak dit ook niet.
Ik ga verzitten want de koude, of is het vocht, trekt langzaam in mijn kleding. Tjah, herfstachtige dagen met niet al te hoge temperaturen kunnen hier ongevraagd zorg voor dragen. Koude billen, vochtige kleding. Maar ondanks die kleine ongemakken is het goed toeven aan deze kabbelende waterkant waar de stilte heerst en de blik over Ingendael sprakeloos maakt.
En dan … is daar plotseling de ontmoeting. Vanuit het langzaam kalende takkengewas. Dat kleine vogeltje met dat vrolijk rechtopstaande staartje. De winterkoning. Indertied alom tegenwoordig en luid hoorbaar. Nu zeldzaam, stil en bijna timide.
Het zeldzame hupst van takje naar takje en… een voor zijn doen, flinke hup met wat hulp van zijn vleugeltjes en daar zit hij, neen beter, staat hij op de rugleuning van de bank. Voor dit stukje tijdelijk, míjn bank. Ik durf me niet te verroeren, alleen mijn ogen bewegen. Brutaal, of een blik die daarvoor zou moeten doorgaan, kijkt het diertje richting mij. Wat zou het denken? Kan een winterkoning wel denken? Wil ik het weten? Neen, wat ik wel weet zijn twee dingen. Ik heb… neen, het diertje vliegt op en weg, ik hád een mooie bankontmoeting voor een nieuwe column en ik weet zijn wetenschappelijke naam. Ooit eens gelezen en nooit meer vergeten. Troglodytes troglodytes. Dat klinkt én leest zoveel mooier en stoerder dan die wetenschappelijke van de mens, homo sapiens. Toch?
Oh… en die tak. Die hangt nog steeds op zijn plek wanneer ik opsta en verder wandel…
