Ik marcheer, als invaller, mee in het bekende ‘Nachtwachtgilde’. De originele Kapitein Frans Banninck Cocq in deze levende reproductie is verhinderd en ik (b)lijk, volgens kenners, het juiste statuur te hebben om die Frans te vervangen, wat ik dus voor één keertje doe. De noodzakelijke harige pruik kriebelt mijn nek en de ietwat meer losbandigere haartjes van die pruik teisteren treiterend vooral mijn neusgaten. Ik probeer mij al lopend op die marcherende kerntaak te concentreren, maar ook al loop ik over een vooraf opgestelde optochtroute, mijn hersens verdwalen. In dit geval richting mijn jeugd van tweedeklasser lagere school.
Toen was het te doen gebruikelijk om tussen de middag thuis het middageten te nuttigen, om vervolgens weer terug te keren naar school voor de middagsessies. Wat er gebeurd is, krijg ik niet meer opgediept uit de krochten van mijn hersens, wel weet ik nog dat ergens tussen zo’n middag mijn toen nog witte haren alle windrichtingen zagen. Mijn moeder vond die witharige warboel blijkbaar niet uitzien en voorzag daarom mijn hoofd en witte haar van een fikse flatsj brylcreem, smeerde die flatsj uit zodat mijn haren geplakt en al weer in de blinkende plooi op mijn hoofd lagen. Het bruine petje dat ik indertied plachtte te dragen werd er overheen gezet en was ik – volgens mijn moeder – weer toonbaar.
Met de woorden: “Dien haore zitte noe weer good, eigelik zowste dien petsjke noe veurluipig neet mie aaf motte zètte” werd ik weer schoolwaarts gestuurd. Ik knoopte alleen de woorden ‘petsjke neet miè aafzètte’ in de oren en nam met die oorknoping plaats in het schoolbankje. Toen werd er in de klas de pet afgezet en voor aanvang van de middagsessie vroom gebeden. Dit keer lukte het niet want ik mocht van mijn moeder – dacht ik dus – dat petsjke niet afzetten. Hoe hard de dienstdoende onderwijzer ook commandeerde en dreigde, ik weigerde het petsjke af te zetten. Ten einde raad haalde die onderwijzer het hoofd der school erbij. Het hoofd verordonneerde – niet dat ik dat woord begreep – mij, om die pet af te nemen maar ik weigerde categorisch want mijn moeder had gezegd dat ik het petje niet af mocht zetten omdat dan mijn haren weer doorelkaar zouden raken. Zij, enge onderwijzer en het hoofd, bewogen hemel en aarde, dreigden met hel en verdoemenis, maar ik weigerde, nog steeds categorisch, want mijn moeder had gezegd, etc.
Enfin, het kwam er die middag uiteindelijk op neer dat ik mijn petje op mocht houden, er toch nog gebeden werd en ik na afloop van de lessen naar huis werd gebracht door het hoofd want die wilde dan toch van de hoed, misschien beter, pet en de rand weten hoe e.e.a. nu zat. Na voor de zoveelste keer uitgelegd te hebben waarom ik dat petje niet had afgezet werd er door het hoofd en mijn moeder hard gelachen om het misverstand. En ik? Ik lachte dapper mee.
Tijdens de vele functioneringsgesprekken in mijn latere, actieve werkzame leven ben ik vaak geprezen om mijn vasthoudendheid. Een woord dat ik toen, als tweedeklassertje, niet eens kende. Ik veeg nog maar eens de kriebelhaartjes uit mijn gezicht en keer terug in de marcherende werkelijkheid en constateer dat die haartjes ook vasthoudend zijn…
