Categorieën
Column

Broersj

Een litteken in mijn rechteronderbeen is aan het opspelen. Flink aan het jeuken. Dat litteken, een aandenken uit mijn lang voorbije kindertijd. Toen ons huis nog aan de rand van het dorp stond, met een grote tuin – broeinest van voetbal- en hardlooptalent – die grensde aan een weiland met veel hoogstammige fruitbomen. Een kersenboom stond direct achter die tuin en één van zijn sterke takken hing over onze tuin. En op het moment dat de kersen aan die tak rijp waren, kregen ze geen tijd om overrijp te raken. Raken deden wij wel, met alles wat maar in de lucht gegooid kon worden. Totdat die tak geen kersen meer droeg.

Dan brak de tijd aan om raaptijd ín de wei te vragen, Aan de baas van de wei. Dan riepen wij luid en in koor: “Broehoesj, maog v’r kómme rape?”, steeds hopend dat de baas, die “Broehoesj” ons toestemming zou geven om kersen te gaan rapen. Maar “Broehoesj” was een man van weinig woorden, eigenlijk van slechts één woord: “Nei”! Andere woorden kwamen blijkbaar niet voor in zijn indertiedse vocabulaire. Dus hoe harder wij “Broehoesj, maog v’r kómme rape?” riepen, des te harder klonk zijn “Nei”. En vaak zei hij gewoon niets, pakte hij zijn boomhoge ladder en verplaatste die naar een andere rijpe kersenboom. Nu nog bewonder ik de kracht én techniek van “Broehoesj”. Hij was van het type Dick Advocaat maar dan kleiner, maar met die gestalte verplaatste hij wel die joekelse, metershoge ladder.

Soms dachten wij dat hij niet meer in de wei aanwezig was. Dan kropen wij stiekem door de prikkeldraad en begonnen kersen te rapen. Totdat “Broehoesj” zomaar uit het niets, of beter, uit een boom, van de ladder af kwam schuiven en ons terugjoeg achter de draad. En dan begon het gevraag opnieuw. Nu nog schrijf ik mijn bewondering voor “Broehoesj”. Dat hij dat zeurderige gevraag stoïcijns maar kersenplukkend bleef aanhoren, af en toe eens “nei” roepend. En tegen de tijd dat hij dan eindelijk naar huis ging, zaten wij – gewassen en gestreken – binnenskamer achter het raam, smachtend naar een geraapte kers.

Onbewust wrijf ik over het litteken, stil bewijs van een overmoedige daad om, zonder hulp, te proberen in de wei van “Broehoesj” te geraken. Mijn kuitvlees werd gevangen door een stuk puntige en vooral scherpe prikdraad dat zich vastzette in mijn vlees. Bang dat ik mijn hele been zou openrijten heb ik daar enkele uren gestaan. Op één been. Het andere hing vast aan de draad. Hoe ik toch los geraakt ben? Toen vanuit de opening van de huiselijke achterdeur het signaal voor het indertiedse vieruurtje klonk, kon niets mij tegenhouden en met een zakdoek geknoopt over de onderbeense wond, spoedde ik mij naar de vieruurse dis. Stel je voor dat ik die zou missen. Ik trek mijn broekspijp omhoog, kijk en … Het litteken is nog steeds niet te missen.

Door Edmond Ackermans

Edmond Ackermans