De zon schijnt. Warm en doordringend. Ik zit. Op een bank. Aan de rand van het grote gat. Het meest overbodige gat dat er ooit in Berg gegraven is. Volgens mij. Mijn beide armen leunen links en rechts van mij op de rugleuning. Ik laaf mij in de zomerzon. Sluit mijn ogen. Hoor een merel. Boven mij. En links van mij kinderlijk speelgeschreeuw uit het speeltuintje. Voel de warme, zachte wind rond mij cirkelen. Voorzichtig maak ik van mijn ogen spleetjes, de zon probeert door te dringen maar opeens ontmoet ik mijn gedachten op dit bankje, zonder een bats op te schuiven.
Ze maken zich meester van mij. Ik zie in dat felle licht plotseling dat grote gat. Gevuld met water, tot aan de rand. Op dat water. Plezierjachten, jetski’s, een kano, zwemmende kinderen, ouders drijvend op een luchtbed. Aan de randen, op de steigertjes, vissers. Daar scheurt een speedboot over het wateroppervlak, achtervolgt door een vasthoudende waterskiër. De rust keert weer. Ik hoor een harde gil, gedachtelijk kijk ik naar rechts, achter mij daalt, hangend aan een kabel die bevestigd is aan de kerktoren een abseiler maar schrikaanjagender is de tokkelaar die met een rotvaart vanuit een galmgat in de toren als een scherende vleermuis op het eilandje midden in het watergat zal gaan landen. Zijn geschreeuw en gebrul klieven de stilte. De kerkklokken luiden luid.
Ik schrik op uit mijn gedachtelijke dwalingen. Hoor de kinderen links nog steeds plezier hebben. Het overbodige grote gat voor mij is nog steeds leeg. Aan de overkant dat ooit gezellige cafeetje. Achter mij de kerktoren. Zonder kabels, zonder touwen. Maar nog steeds gebeier. Over de brede weg voor mij racet een sufferd in een dikke SUV met een noodgang voorbij.
Já, dat is het. Weg met dat overbodige gat. Vul het. Met water. Tot aan de rand. Maak van deze omgeving een pretpark. Speeltuintje voor de kleintjes is er al, racebaan voor de groteren, is er al. Abseilen en tokkelen vanuit de hoogte. De toren is er al. Eten en drinken voor de zich amuserende mens. Eetgelegenheid is er al. De huidige bomen rondom vervangen. Door kersenbomen. Kan ik eindelijk eens komen rapen.
Tja… nu alleen nog dat water. In dat gat. Of… ja. Oppompen vanuit Terblijt, vanuit de vaak (te) volle waterbekkens. Oké, het kost wat, maar dan heb je ook wat(er). En in Terblijt wat minder. Toch?
