Categorieën
Column

Geul (2)

Lieflijk kalm stroomt het stroompje. Wij kennen het als de Geul. Van Lichtenbusch tot Voulwames zoekt het stroompje zijn golvende, vooral natte weg. Tussen kalvende oevers. En zeker in de bochten meandert het.

Ooit stonden er veel bomen, heel veel bomen. Nu nog een paar. Rechtop, reikend naar omhoog. Maar aan hun poot wordt geknaagd. Door de ouderwetse bever. Die levert geen hand-, geen maat- maar mondwerk. Zonder zaag. De ene stoere boom na de andere. Sneuvelt, valt om. Over de Geul. In de Geul. Langs de Geul. Al naargelang de knaagmeester zijn tegenwoordig gevreesde meesterwerk laat vallen.

Trots waren ze. Zij, de introduceerders, die de bever lieten herintreden. Hem lieten begaan. De natuur moest zijn beloop hebben. Geholpen door de mens. En zie, daar waar de mens de natuur met het ene handje helpt, vernielt hij met het andere. Handje. Handje verstandje? Ik betwijfel dit ten zeerste.

Hoe lang zal het nog duren? Misschien wel hoe kort. Want tegen het geknaag van Ed en Willem, daar kan de plantsnelheid van de mens niet tegenop. Maak ik, maken wij hem nog mee? De complete kaalslag langs de Geul. Van Lichtenbusch tot Voulwames. En waar trekt de bever dan naar toe?

Of… komen de introduceerders met hun nieuwste oplossing. Wolven loslaten in dit gebied? Om de bever een halt toe te roepen. Maar wie roept daarna de wolven een halt toe? De introducerende mens? Laat me niet lachen. Dat hoor ik de wolf ook niet doen. Want die huilt nu al, van plezier.

De Geul, gevaarlijk kalm stroomt dan het stroompje. Maar we mogen en kunnen het niet meer zien. Het wordt een no-go area voor de mens. En zij die de natuur een handje hielpen? Och, die wassen dat handje in onschuld. Want de natuur moet natuurlijk zijn beloop hebben. En de Geul zijn loop. Maar nooit meer als toen. Als indertied.

Door Edmond Ackermans

Edmond Ackermans