Categorieën
Column

Lééftijd

Wat is eigenlijk tijd? Tijd bestaat niet, klokken wel. Dat beweer ik al sinds 26 december 1996, toen een bevriende collega mij telefonisch feliciteerde vanwege mijn verjaardag en hij vragend opmerkte: “Jij? Al 42 jaar? Waar gaat de tijd naar toe?” Toen antwoordde ik, in een opwelling, met: “Jongen, tijd bestaat niet. Klokken wel.” En dit zelfverzonnen adagium draag ik nog altijd met graagte uit.

De klok is een uitvinding van de mens terwijl de natuur zich niets aantrekt van al die klokken. De natuur doet wat de zon haar ingeeft. Kijk naar de vogels, die gaan in rust wanneer de duisternis zich schemerend aandient. Ze hebben geen vleugelhorloge of boomstamhangklok nodig om te zien of het al slaaptijd is. Het is voor de vogels gewoon, hup, schemer daar, slapen maar. En piept de zon weer boven de horizon uit, dan zijn de vogels ook weer present. Al dan niet geholpen door de kraaiende dageraadhaan. En de vogels die niet op stok of tak gaan met het verdwijnen van de klok, die draaien een onbetaalde nachtdienst, tot het aandienen van de eerste ochtendstraal.

Leven op en met de zonneschijn. Het maakt het leven aangenamer, beheersbaarder en stress zal niet meer bestaan. Niks geen haastig rennen naar bus of trein, nooit meer te laat komen voor een vergadering. Middagpauze? Forget it. Gewoon eten wanneer de maag dit al rammelend, rommelend laat weten. Koffie- of theepauze? Geen probleem. Gewoon, een kopje lekker ninnen, wat melige en of toch, serieuze praat verkopen en weer verder. Agenda’s? Weg ermee. Gewoon dus lekker leven en als het moet, ook werken, zonder klok. Indertied, toen er nog geen klokken waren, ging dat toch ook goed, misschien wel beter. Waarom zou dat nu dan niet kunnen lukken?

Ik weet, de reacties zullen overwegend negatief zijn. Geleerden, of wat daarvoor door moet gaan, zullen met tegenargumenten komen. Hoe plan je dan vergaderingen in? Hoe bereken je het uurloon? Hoeveel uren per dag werk je? Wat zijn de openingsuren van winkels? Hoe zorg je ervoor dat treinen en bussen volgens schema rijden? Dát mogen de geleerden, wat mij betreft, zelf uitzoeken. Zij hebben daar voor geleerd. Toch?

Ik stel voor om het gewoon eens een tijdje te proberen. Leven op het zonlicht. Wellicht dat de mens eindelijk weer inventief wordt, oplossingen aandraagt waaraan de geleerdheid nog nooit gedacht heeft. Gebeuren er misschien uiteindelijk alleen nog maar dingen die het daglicht kunnen verdragen. Want, dat wordt dan het nieuwe leven. Tussen zonsopkomst en –ondergang. Elke dag opnieuw.

En mocht blijken dat e.e.a. toch niet werkt, dan stel ik vervolgens voor om deze (nieuwe?) dagelijkse, zonnige lééftijd, dus niet leeftijd, zonder klokken, te gunnen aan die mensen die het arbeidzame leven, na jaren van hard zwoegen tussen vaak 8 uur ’s morgens en 5 uur ’s middags, achter zich hebben gelaten. Waaronder ik dus…

Categorieën
Column

Vrolijk

Mijn slapende werkelijkheid, gevat in dromen, ontdoet zich uiterst traag van de innige omarming door Morpheus. Ergens in de tuin zingt een merel zijn vrolijke januarise ochtendlied. Mijn ogen sluipen heel langzaam open. Ik besef in één stil moment, een nieuwe, zij het nog koude, ochtend is aangebroken. Deze dag heeft nog een lange weg te gaan. Wat die brengen zal? Het staat nog in nieuwe zonnestralen geschreven. Met gouden pen, potlood of penseel.

Mijn hoofd koestert zich nog in het zachte hoofdkussen. Wil nog van geen afscheid weten. Ik ben het eens. Met mijn hoofd. En de rest van mijn lijf evenzo. Dus zijn alleen de oren opmerkzaam spits en oplettend naar hetgeen de merel al fluitend vertelt. Mijn ogen sluiten zich weer. Mijn hoofd wordt, zo lijkt het, opeens weer kilo’s zwaarder en drukt zich nog dieper in de zachte wollen wolken, gevangen in de kussensloop.

Mijn handen maken de oordelen niet veel later weer vrij, want het hemelse merelgezang moet, vooral nu, onderdeel blijven van mijn langzame ontwaken. Ik probeer een feest van herkenning te creëren in het muzikale van de vogel, die, staand op een tak, vrolijk verder fluit zonder daarbij zijn evenwicht te verliezen. Denk ik.

Uit de verborgen, kronkelende krochten in mijn hoofd borrelt, op de merelse maten, opeens een indertieds bekend wijsje omhoog, als een niet te stuiten lavavloed uit een kolkende vulkaan. De combinatie merel en mooie muziek maakt opeens een eigen compositie hoewel mijn tekst in het geheel niet vergelijkbaar is met de originele tekst.

Ik moet liggend glimlachen wanneer ik mijn eigen tekst in stilte voor mij uitzing. Zo zal John Fogerty’s Creedence Clearwater Revival het indertied natuurlijk nooit bedoeld en zeer zeker nooit gezongen hebben. En ik afficheer mij in het geheel niet met de tekst van John. Simpel omdat ik mijn tekst in alle vrolijke positiviteit de wereld in slinger, uiteraard met en in gepaste stilte, want de merel zingt de mooiste noot en heeft uiteindelijk het hoogste én laatste woord.

Nu vraagt de lezer zich – denk ik – af wat er in mijn hoofd rond warrelt als ik langzamer dan traag transformeer tot een rijzende verschijning. Het is een variatie op de indertiedse hit van CCR, “Bad Moon Rising”. Mijn vrolijke ochtendversie luidt:

I see the Edmond a-rising
I see good times on the way
I see the sun is brightly shining
I feel happiness today

I go see the sunlight
Well I’m pleased to live my life
There’s an Edmond on the rise.

Dat ik daarna, zachtzingend en ruimschoots herhalend, hinkelend in mijn beide slippers slipper en bijna hakkentikkend de badkamer met een bezoek vereer, daarbij niet vergetend mijn stralende spiegelbeeld breedlachend aan te kijken, huppelt en staat natuurlijk binnen de badkamer buiten kijf. Kortom, opperste vrolijkheid is deze dag de breed- en vérstralende verlichting in de porseleinkast.

Of zoiets…

Categorieën
Column

Indertied

Het waren me een paar wittenoodsweken, de afgelopen weken. Heel Holland in last. Want de zachte sneeuw had met harde hand de macht overgenomen. Treinen, toch al bijna nooit echt op tijd, kwamen te laat of vertrokken gewoon niet. Bussen, ze reden wel, vaak niet. Auto’s belandden in de greppel, soms ondersteboven. Goh… je zou al haast naar je noodpakket gaan grijpen. Noodpakket? Waar heb ik dat ook alweer gelegd?

Hoe ging dat indertied? Toen het heel vaak meer dan 15 graden vroor, de sneeuw, veel vaker dan nu, meer dan een halve meter hoog lag? De ‘Riekswèèg’, indertied toch de slagader richting Valkenburg en Maastricht, totaal niet meer zichtbaar. En toch reden er bussen, zorgde ‘de Zieb’ dat de Cauberg van onder tot boven vrij was. En wij braafjes, maar heftig voetjes trappelend, want k-k-koud bij de bushalte voor de kerk op de te late bus stonden te wachten, wetende dat die bus toch kwam. Die bus, van De Valk, dan over- en overvol, want de normaal fietsende schoolgangers zaten, stonden of hingen nu ook in die bus. Het was hutjemutje op elkaar gepakt. Het gebod in de bus ‘Voor den streep geen staanplaats’ werd letterlijk met besneeuwde voeten getreden want zij  die voor den streep stonden, zaten bijna bij de buschauffeur op schoot, zó vol was of waren die bus(sen).

Ja, oké, je kwam een half uur te laat op school, maar de onderwijzer of leraar had daar alle begrip voor. Hijzelf was ook net binnen. Volgens mij zijn we watjes geworden, gepamperd door mensen van organisaties en would be-deskundigen van instellingen die denken het beste met ons voor te hebben, alleen… wordt ons of de jeugd nog iets gevraagd? Neen! De hardheid die ons door onze ouders indertied werd geleerd, toch een soort van zelfredzaamheid, bestaat niet meer. We verwerden tot watjes, zachter dan de zachtste sneeuw.

We kwamen vroeger na een middag sleeën, als menselijke ijspegeltjes thuis. De bevroren broek kraakte, de wanten waren onbuigzaam geworden en aan onze vuurrode neuzen hingen bevroren ijskristalletjes. Thuis ging je dan in een warm bad of – indien niet voorhanden – in een zinken teil gevuld met water dat in een grote ketel verwarmd was op het gloeiende fornuis in de keuken. En na de reinigende ontdooiing, gehesen in een warme wollen pyjama, voorzien van een kroes warme chocomel en in de hand een boekje van Pinkeltje of Wipneus en Pim.

Kom daar tegenwoordig nog eens voor… De jeugd kent de hardheid van vroeger niet meer, laat staan Pinkeltje of Wipneus en Pim.

Categorieën
Column

Yo-yo

Nadenkend kijk ik naar buiten en zie een soort van winderige sneeuwhoos door de witte tuin tollen. Uit de woonkamer klinkt muziek. Het zijn liedjes van nog niet zo lang geleden maar toch al te rangschikken onder indertied. Zachtjes neurie ik de liedjes mee, want mijn zingen is niet echt gezond voor gevoelige oortjes. Kate Bush vult met haar liedje Cloudbusting en haar mooie hoge stem de woon- en mijn werkkamer. Ik luister en mijn stem neuriet zachtjes mee. Kate zingt : “You’re like my yo-yo, That glowed in the dark…”

You’re like my yo-yo? Subiet glijden mijn gedachten af naar enige weken geleden. Toen een kleinzoon met een kapot iets naar mij toekwam in de hoop dat opa het wel zou kunnen maken. Nu ben ik heel goed in iets kapotmaken maar echt maken? Neen. Ik ben tweehandig links en onhandig met beide handen.

Twee rode ronde delen en een dun touw met lusje kreeg ik in mijn linkerhanden geduwd. Met een geprobeerde deskundige blik keek ik naar hetgeen in mijn handen lag, legde het voor me op tafel en probeerde mij een voorstelling te maken hoe het ooit uitzag, niet hoe het moest gaan uitzien, want dat stond nog in de sterren geschreven. Ik vroeg aan de kleine wat dit ooit voorstelde en hij liet me weten dat dat ooit een werkende yo-yo was. Een yo-yo? Zo’n onhandig op-en-neergaand rond ding dat indertied kinderen moest plezieren. Lusje om de middelvinger, het touwtje om het gescheurde middel van het ding, dat ding dan loslaten en wanneer het goed ging, kwam het ronde ding weer omhoog. Wanneer het goed ging, hè…

Kleinzoon legde mij – na het zien van mijn vragende blikken – uit hoe een en ander ooit in elkaar stak maar, volgens hem, op onverklaarbare wijze uiteen was gevallen in drie stukken. Ik drukte de twee ronde delen tegen elkaar, friemelde het touwtje om het gescheurde middel van de nu aan elkaar zittende delen, drukte beide delen stevig tegen elkaar, dacht een klik te horen, toch een teken dat de beide delen één waren, deed het lusje van het touwtje om mijn middelvinger en liet het rode ding los zodat het daalde. Ik hoopte vooral dat het ding langs het touwtje ook weer omhoog zou klauteren zoals dat vroeger bij al mijn kameraadjes gebeurde. Edoch… het ronde ding kwam niet omhoog, erger nog, het viel op het punt van terug omhoog weer uiteen, in twee rode ronde delen. In mijn hand het lege touwtje. Kleinzoon keek mij aan, bukte zich, raapte de delen op, nam het touwtje en toen hij zich omdraaide, hoorde ik hem zeggen: “Laat maar opa, ik vraag het wel aan papa…”

Terug in het heden zingt Kate nog net “yeah-yeah-yeah-ohh”, voor mij klinkt het als een no-yo-yo-ohh…

Categorieën
Column

Systeem

Zittend tussen de hoge rugleuning van mijn bureaustoel en het platte, zwarte toetsenbord op mijn bureau, vraag ik mij af waarover de eerste column in dit nieuwe jaar zou kunnen gaan. En tijdens het afvragen en het typen van de eerste woorden van deze column, realiseer ik mij dat ik mijn typende werkzaamheden aan mijn bureau altijd uitvoer met slechts drie vingers. Dat zal ongetwijfeld iets te maken hebben met het feit dat ik al op heel jonge leeftijd met zwakke pinken mijn typediploma behaalde omdat ik mijn toetsende werkzaamheden, die toen, bijna zestig jaar geleden, nodig waren voor het behalen van dat diploma, met tien vingers en liefst blind moest uitvoeren. Dat is mij toen, met moeite gelukt. Ik behaalde het diploma met de minimaal vereiste 130 aanslagen per minuut. Een terrorist heeft meestal maar een aanslag nodig, maar dit terzijde.

Maar direct nadat ik mijn typediploma behaald had, leerde ik mijzelf blind typen met mijn eigen drievingerige systeem want de hoofdlettertoetsen, die, volgens de indertied geldende voorschriften, met de pink ingedrukt moesten worden, leverden mij – tijdens het gebruik van die indertiedse zware typemachines – grote moeilijkheden op. Mijn pinken waren en zijn nog steeds de zwakste schakels aan mijn beide handen. Ik kreeg die hoofdlettertoetsen van die machines niet of nauwelijks met een der pinken ingedrukt. Dus tover en toverde ik dit stukje proza en al die duizenden andere verhalen en gedichten die ik nu en in het verleden schreef, tevoorschijn met slechts drie vingers. De middel- en wijsvinger van de linker- en de wijsvinger van de rechterhand.

Dat tevoorschijn toveren van dit en alle andere stukjes gaat, vind ik, best wel snel en ik hoef de andere vingers niet te belasten, ook al gaat het indrukken van alle toetsen op de huidige computertoetsenborden even makkelijk en van een leien dakje.

Verder realiseer ik mij – gaande het vorderen van deze column – nu ook dat zij die tijdens de jaarwende een of meerdere vingers verloren hebben en het toetsenbord nog nodig hebben, ook best wel goed met dit drievingersysteem overweg zouden kunnen.

Alleen behaal je dan – mocht dat nodig zijn – nooit meer een typediploma dat het tienvingersysteem vereist.

Categorieën
Column

Onrust

Ik wandelde afgelopen week.
Op een winterfrisse doordeweekse dag.
Vlak voor de afgelopen donderdag.
Door een grote supermarkt.
In een niet al te groot stadje.
Onderaan de Rasberg.
Ik zag hordes mensen.
Sjokkend en sjouwend als ezels.
Stouwend gulzig hun auto vol.

In het innerlijke.
Van datzelfde stadje.
Een idems beeld van mensen.
Alleen met andere tassen.
Maar ook randvol.
Met ander spul.
Variërend van blingbling tot ruikruik.
Maar duurduur.

Ik zag eetschuren.
Afgeladen en overvol.
Met wachtrijen.
Van lang tot héél lang.
Het is. En blijft. Een festijn.
Van een door de mens bedachte activiteit.

Vraag mij als ongelovige af.
Zou hij zich omdraaien in zijn graf?
Hij. De jezus aller jezussen.
En realiseer me meteen.
Dat dat omdraaien niet gaat lukken.

Misschien had hij hem lang geleden al.
Die ver vooruitziende blik.
En begreep hij.
Dat ook na bijna tweeduizend jaar.
Hij in dat graf geen rust zou vinden.

En zich daarom toen al.
Lang geleden.
Op een donderdag.
Schielijk die weg omhoog heeft gezocht.
Naar ver.
Heel ver weg.

Weg!
Van alle koop- en schranslust vandaan.

Categorieën
Column

Kransjes

De eerst volle snoepdoos toont al snel zijn bodem. Een tiental minuten geleden vulde vrouwlief de doos met kerstkransjes, je weet wel, die chocolade kransjes met witte pitjes erop. Dat vond en vind ik nog steeds de allerlekkerste kransjes. Ik ben er niet verslaafd aan want ik eet ze alleen rond de kerst. Het is misschien een periodieke verslaving waarvoor blijkbaar geen medicijn beschikbaar is. Maar vrouwlief heeft zich nog niet omgedraaid of mijn rechterhand graait al in de doos. Die dus een tiental minuten later al zijn bodem toont.

En al happende ende genietende dwalen mijn gedachten af. Naar niet eens zo’n ver verleden. Toen we jaarlijks de zaterdag voor Kerstmis een gezellige kerst- annex surpriseavond organiseerden voor de spaarclubleden, inclusief en met medewerking van o.a. Dolf, de échte kerstman. Die goede man zat er niet alleen te zitten, neen, die moest ook de door de leden vervaardigde surprises aanslepen en tussendoor ook nog zorgen voor de vrolijke noten.

Dat was een gezellige bezigheid, niet dat aanslepen, maar die hele avond, echt bieregezellig want voor frisdranken moest je niet op die avond zijn.
Bij die zelfgemaakte kerstpresentjes hoorden ook altijd verplichte, liefst rijmende kerstgedachten en vaak, héél vaak, kerstkransjes. Zo’n zelfde als die ik hierboven omschreven heb.

Ooit, op zo’n kerstige surpriseavond waren wij weer samengekomen aan en rond de grote tafel. Kerstman zat aan het hoofd wanneer hij niet onderweg was naar achteren om een nieuwe surprise op te halen. Wanneer hij weer terugkwam had hij dan een al dan niet groot pakket in zijn handen. Maar tussen al die afhaal- en brengsessies in deponeerde de kerstman steeds een klein(er) pakketje op tafel. Dat was dan bestemd voor Edmond. Voor mij dus.

Iedere keer opnieuw moest ik weer zo’n klein pakketje uitpakken en telkens weer was dat een pakje kerstkransen, zoals hierboven omschreven. En ook telkens weer gingen die kransjes dezelfde weg, via mijn mond naar mijn maag.

Wat bleek? Vrienden hadden het idee opgevat om mij op die kerstkransensessies te trakteren vanwege mijn tijdens eerdere kerst- annex surpriseavonden tentoongespreide happende belangstelling voor die kerstkransjes. Het resultaat? Onstuitbare zoetige misselijkheid…
Ietwat dizzy en vooral volgevreten ging ik die nacht huiswaarts.

De lezer zal misschien denken dat ik na die laatste sessie de kerstkransjes voorgoed heb afgezworen, maar dat is gelukkig (gelukkig??) niet het geval. Zoals hierboven dus blijkt…

Categorieën
Column

Verkeersregelaar

Zittend in mijn auto, wachtend in de rij met stilstaande auto’s. Tot stilstand gebracht door een zeer gewichtige, ultrazware in felgele kleren geklede verkeersregelaar. Een regelaar die met ware doodsverachting op de weg stapte om de rij waarin ik mij bevond tot stilstand te brengen teneinde de rij auto’s uit de tegenovergestelde richting doorgang te verlenen met als gevolg dat al wachtend, als zo vaak… mijn gedachten terugkeerden, naar indertied.

Toen verkeersregelaars echte agenten waren, gekleed in blauw ge- en ontzag, ook bekend als uniform. Daar hadden de agenten toen nog tijd voor. Want de huidige criminaliteit was indertied slechts een schijntje van tegenwoordig. Maar er waren indertied ook klaar-overs. Niet gehuld in een ontzagwekkend uniform of felgeel pak. Neen, slechts een brede witte riem over de buik en een dunnere schuine riem vanaf de voorkant van de buikriem over een schouder, naar de rugkant van die buikriem, die aan die rugkant dus ook rugriem genoemd zou kunnen worden. Maar dit geheel terzijde.

Ik zie ze nog staan, de klaar-overs. Langs de Rijksweg bij de school Vilt, nabij de zuidelijke in- of uitgang van de speelplaats. De oudere schooljeugd die de jongere schooljeugd, met behulp van het kaarsrecht in de lucht houden van een zogenaamd spiegelei, veilig de weg liet oversteken.

Jaren later, toen ik geen deel meer uitmaakte van de lagereschooljeugd maar door de jaren be- of gevorderd was tot middelbareschooljeugd, hoorde ik in Maastricht vaker het doordringende geluid van een fluitje, voortgebracht door de ook daar aanwezige klaar-overs. Lange leve de vooruitgang! Weer later zag ik dat de taak van die klaar-overs werd uitgebreid met het druk heen en weer zwaaien van dat spiegelei. Het zal ongetwijfeld toen iets te maken hebben gehad met voortschrijdend inzicht. Of ik die uitdrukking indertied al kende, waag ik nu ten zeerste te betwijfelen.

Maar het alsmaar voortschrijden van dat inzicht heeft mij, ons, gebracht tot nu die gele, niet altijd maar wel vaak zwaarwichtige gewichtigen die heden ten dage overal worden ingezet om het verkeer op, maar ook veilig te houden.

De stilstaande stoet waarin ik mij bevind beweegt uiteindelijk weer voorwaarts, begeleidt door de gele gewichtige die, heftig zwaaiend met een arm, mij en mijn lotgenoten aanmaant tot spoed. Gelukkig hanteert hij geen spiegelei, zoals ik dat kende van de klaar-overs uit mijn jeugd. Ja, misschien daarom zijn het, in mijn ogen, geen klaar-overs. Het zijn nu meer eh… klaar-doors. Of zoiets…

Categorieën
Column

Straf

Vraagje aan de al wat oudere: Indertied ook wel eens de klas uitgestuurd? Vanwege wangedrag of niet luisteren? Niet? Nou, ik wel. En vaak. Maar ik denk dat dat kwam omdat een onderwijzer mij niet pruimde, ietwat minder netjes geschreven, gewoon de pik op mij had. En dat zal – weet ik tegenwoordig heel zeker – aan het geintje gelegen hebben dat ik indertied met hem uitgehaald had.

Maar dat geintje werd veroorzaakt door hem, die onderwijzer dus. Die gooide met dekseltjes die de inktpotjes moesten behoeden voor teveel stof of andere ongerechtigheden. Luisterde je als leerling niet of was je balorig, dan schroomde die meister niet om met zo’n dekseltje te gooien. Vaak miste dat dekseltje zijn ‘prooi’, vaak ook werd de ‘prooi’ geraakt. In het gezicht, op een oog (bij mij) of tegen het hoofd. En slaan kon hij ook, die onderwijzer. Met een stok. Een bruine, glimmende stok die ooit onderdeel was van een groter en langer geheel, een volledige aanwijsstok, die – wellicht door te hard en veelvuldig slaand gebruik – was gehalveerd. Maar ook al was het een halve stok, de hardheid was er niet minder om.

Ook mijn rug had al eens kennisgemaakt met die hardheid. En daarom zon ik toen, als jónk menneke, op wraak. En die wraak vond ik in een spijker die ik op weg naar school gevonden had. Die spijker plaatste ik, met de scherpe punt omhoog – op een moment dat niemand in het klaslokaal aanwezig was – bij de kapstok waar de onderwijzer zijn jas had hangen in de hoop dat hij in die spijker zou trappen wanneer hij zijn jas, een grijze, zou pakken om aan te trekken.

En… ja hoor, op enig moment liep de onderwijzer naar de kapstok, reikte naar zijn jas en… yes (ik kende toen eigenlijk nog geen Engels), hij trapte in of op die spijker, die zich door de zool prikte en de onderwijzer dus enkele millimeters later, in zijn voet. Hij hinkte naar zijn stoel, trok de schoen uit en daarna de spijker uit die schoen. Was ik toen maar een sjlum menneke geweest, dan had ik gezwegen in het speelkwartier. Maar tijdens dat speelkwartier vertelde ik triomfantelijk (dom dom dom) mijn prikkende wraak op de speelplaats aan een aantal klasgenoten. Die vonden mijn actie prachtig. Alleen die ene… ik noem die Harrie nu even niet bij naam, die haalde een wit eh… voetje bij de onderwijzer door te klikken, door mij te verraden.

Wat volgde was een verbale tirade en vervolgens een slaande strafexpeditie van die onderwijzer. Hij sloeg en joeg mij tussen de rijen schoolbanken door met behulp dus van die halve aanwijsstok. Jankend zat ik na die mishandeltocht in mijn schoolbankje en omdat ik niet ophield met huilen en snikken, wees hij mij uiteindelijk ook nog de deur van het klaslokaal. Ik heb toen de rest van de ochtend in de gangen rondgelopen. Uit verveling meerdere keren de wc’s doorgespoeld, bij de ingang naar buiten staan kijken en die onderwijzer in stilte vervloekt.

En eerlijk? Hem vervloeken doe ik nog steeds, tot op de dag van vandaag. Als ik hem ooit nog eens tegenkom, dan… dan…

Categorieën
Column

Biebboek

Zat ik met een aantal gelijkgestemden te delibereren aan de lang taofel in de dorpse bibliotheek viel het mij op dat het wel héél erg rustig was in deze bieb. Nou is dat voor vergadertijgers als wij, die dat dus niet zijn, heerlijk omdat je dan ongestoord je zeg en zegje kan doen, je stemvolume niet hoeft te laten dalen, maar dan nog… een bieb met zoveel boeken, interessante boeken, misschien wel zeldzame boeken, verdient een breder publiek. Misschien was het wel zo rustig, op ons gelul in die ruimte dan na, omdat het richting het verjaardagsfeestje van de thans weer aanwezige goeie, oude, bebaarde baas gaat. Het zou zomaar kunnen. Want cadeautjes, cadeautjes, cadeautjes. Kopen, inkopen, inslaan. Voor volgend weekend.

Maar dan nog. Zó stil. Ik werd er lichtelijk onrustig van. Zijn dan in Berg en Terblijt helemaal geen lezers meer? Boeit een interessant boek niet meer? Is het alleen nog maar het telefoontje, de tablet, de laptop, het e-book? Willen de mensen niet meer het fysieke boek voelen? De opwinding voelen bij het omslaan van de bladzijde, nieuwsgierig naar het spannende vervolg in het verhaal? Intensief bladeren door een groot of dik naslagwerk? En tijdens het zoeken nieuwe onderwerpen tegenkomend? Hangt het kennis vergaren tegenwoordig af van het schuivende vingerpuntje of een muisklik? Is een bibliotheek iets ouderwets? Iets wat achterhaald is?

Ik kan het me haast niet voorstellen. In mijn thuisbieb in mijn mancave staat een groot aantal boeken over de 1e en 2e Wereldoorlog, dunne en dikke dichtbundels van al dan niet bekende dichters en schrijvers, ja zelfs (dikke) bundels van mij en mooie, kleurrijke en interessante naslagwerken over dorpen, steden, streken en gebieden. Met onderwerpen die je niet of slechts in beperkte mate terugvindt op het internet.

Ja, ik beken. Ik ben een groot liefhebber van het fysieke boek. Aan de top van mijn vinger kleeft geen streelpaneel van een e-book en zal daar ook nooit aan gaan kleven. Mijn vingertop zal hooguit over mijn tong strelen teneinde een bladzijde van een spannend of interessant boek om te slaan.

En wanneer ik dat boek niet vind in mijn thuisbieb? Dan ga ik het lenen. In de openbare bieb. Makkelijk zat…