Terwijl ik in de kringloopwinkel een mevrouw zie lopen met een ouderwetse, misschien toen wel moderne wandkoffiemolen, vergeet ik verder te zoeken in de boekenberg en verdwalen mijn gedachten – weer eens – naar indertied. Toen dagelijks bij tijd en wijle de koffiemolen, hand- zowel als wand-, gehanteerd werd en de koffiebonen vermalen werden tot een bakje gemalen koffie. Ik zie mijn oma’s weer met vaardige hand en kennis van zaken de zjwungel bedienen, het laatje (hout of glas) legen en er, met dank aan het kokende fluitketelwater en de koffiepot, geurende koffie van trekken.
Maar deze herinnering verdwijnt langzaam wanneer mijn gedachten afdwalen naar een reusachtige vergadertafel waarrond een aantal bestuursleden had plaatsgenomen om de toenmalige stand van zaken van de vereniging te bespreken. Het was indertied een geschreven wet dat bij toerbeurt tijdens de vergadering een der bestuursleden voor een grote kan (want veel bestuursleden) koffie moest zorgen. Het die avond aan-de-beurtzijnde bestuurslid begon al mokkend aan die taak omdat hij dat niet als zijn taak zag en – ook heel belangrijk, maar dat bleek pas later – hij thuis nooit koffiezette. Maar er lag nou eenmaal die geschreven wet waaraan de bestuursleden zich ooit geconformeerd hadden, dus hij kwam er niet onderuit.
Enfin, lang verhaal ietsjes korter… De bestuurskamer begon, tussen de dichte rook van de sigaretten (dat kon en mocht toen nog) door te ruiken naar iets dat leek op koffie. De geur en damp sloegen van het koffiezetapparaat en het gerinkel van de koffiekopjes werd hoorbaar toen deze gevuld werden door de onaangewezen vrijwilliger. De kopjes op schotels werden doorgeschoven evenals de suiker en melk. De lepeltjes vlogen laag over de tafel, die hoefden niet geschoven te worden. De voorzitter, uitgebreid aan het woord, liet alles passeren, schoof zelfs tijdens zijn verhaal nog kopjes door en onderbrak uiteindelijk zijn eigen betoog om het kopje nu al minder dampende koffie, naar zijn mond te brengen. De andere bestuursleden volgden hem. De ene kieperde nog gauw wat suiker in de koffie, de ander een sloot melk, al naargelang voorkeur van smaak.
En toen… toen brak nog net niet de hel los. Er werd plotseling gehoest, geproest, vreemde, zelfs Halloweenwaardige, gezichten getrokken en de koffiezetter van dienst werd bijna door vele afkeurende blikken gedood. Het was – zo bleek na het subiet schorsen van de vergadering – alsof de bestuursleden krakende teer (Bergs: Taar!) proefden. Alsof Vissers’ Wegenbouw middels een asfalteringsmachine koffie had gezet. Zo vies, zo scherp en vooral zó ont-zet-tend zwart. Kortom, heel erg bwèèèhh…
Of die vermaledijde koffiezetter van dienst en van toen ooit nog eens – volgens die geschreven wet – koffie heeft moeten zetten? Wat denk je?
