Een presenteerkamer. Zo zou je de tentoonstelling van Indertied van afgelopen weekend ook kunnen noemen. Want presenteren deden zij zich, de verenigingen, in allerlei soorten en op allerlei manieren. En het leuke van zo’n presenteerevenement is ook de herkenning, of niet. Talloze oude, nu vooral oudere bekenden zag ik, ontmoette ik, sprak ik. Maar ik kwam er ook tegen, herkende ze en zij… liepen verder. Zonder mij te herkennen. Vreemd? Vreemd.
’s Avonds in de badkamer sprak ik er met mijn spiegelbeeld over. Ja, ik weet het. Ook heel vreemd. Spreken met je spiegelbeeld. Maar niemand kent mij beter dan mijn eigen spiegelbeeld. Omdat ik zo ontzettend veel op dat beeld lijkt. Want echt, het blijkt dat als je in de spiegel kijkt, je steeds meer op jezelf lijkt. Doe het maar eens. In de spiegel kijken. Wel met het licht aan, zeker wanneer het donker is.
Maar terug naar de non-herkenning. Het zal aan mij gelegen hebben. Mijn krullen (krullen? had ik krullen?) zijn inmiddels al bijna vijftig jaar verdwenen. Mijn hoofd is al die jaren al de ideale landingsplaats voor vliegen en ander klein vliegend gespuis dat geen permissie krijgt om op Beek te landen. En sinds het scheerapparaat voor het eerst helemaal los mocht gaan op mijn bolleke is dat niet meer te houden. Het apparaat houdt echt van radikaal. Daardoor dat een deel van de bezoekers, die ik dus wel herkende, mij niet herkende. Of niet wilde herkennen. Dat kan natuurlijk ook.
Enfin. Met of zonder herkenning. Het in de presenteerkamer gebodene was een feest van herkenning en ook nog heel erg leerzaam. Want tussen al dat herkennen door ontdekte en hoorde ik en zag ik ook nieuwtjes, nieuwtjes uit een soms al ver verleden, uit indertied. Reden temeer, lijkt mij, om volgend jaar weer zo’n presenteerkamer te vullen, met opnieuw oude en nieuwe presentjes. En vooral ook om de dit jaar herkenden dan te hérherkennen… en zij mij dan misschien wél herkennen.
