Mijn slapende werkelijkheid, gevat in dromen, ontdoet zich uiterst traag van de innige omarming door Morpheus. Ergens in de tuin zingt een merel zijn vrolijke januarise ochtendlied. Mijn ogen sluipen heel langzaam open. Ik besef in één stil moment, een nieuwe, zij het nog koude, ochtend is aangebroken. Deze dag heeft nog een lange weg te gaan. Wat die brengen zal? Het staat nog in nieuwe zonnestralen geschreven. Met gouden pen, potlood of penseel.
Mijn hoofd koestert zich nog in het zachte hoofdkussen. Wil nog van geen afscheid weten. Ik ben het eens. Met mijn hoofd. En de rest van mijn lijf evenzo. Dus zijn alleen de oren opmerkzaam spits en oplettend naar hetgeen de merel al fluitend vertelt. Mijn ogen sluiten zich weer. Mijn hoofd wordt, zo lijkt het, opeens weer kilo’s zwaarder en drukt zich nog dieper in de zachte wollen wolken, gevangen in de kussensloop.
Mijn handen maken de oordelen niet veel later weer vrij, want het hemelse merelgezang moet, vooral nu, onderdeel blijven van mijn langzame ontwaken. Ik probeer een feest van herkenning te creëren in het muzikale van de vogel, die, staand op een tak, vrolijk verder fluit zonder daarbij zijn evenwicht te verliezen. Denk ik.
Uit de verborgen, kronkelende krochten in mijn hoofd borrelt, op de merelse maten, opeens een indertieds bekend wijsje omhoog, als een niet te stuiten lavavloed uit een kolkende vulkaan. De combinatie merel en mooie muziek maakt opeens een eigen compositie hoewel mijn tekst in het geheel niet vergelijkbaar is met de originele tekst.
Ik moet liggend glimlachen wanneer ik mijn eigen tekst in stilte voor mij uitzing. Zo zal John Fogerty’s Creedence Clearwater Revival het indertied natuurlijk nooit bedoeld en zeer zeker nooit gezongen hebben. En ik afficheer mij in het geheel niet met de tekst van John. Simpel omdat ik mijn tekst in alle vrolijke positiviteit de wereld in slinger, uiteraard met en in gepaste stilte, want de merel zingt de mooiste noot en heeft uiteindelijk het hoogste én laatste woord.
Nu vraagt de lezer zich – denk ik – af wat er in mijn hoofd rond warrelt als ik langzamer dan traag transformeer tot een rijzende verschijning. Het is een variatie op de indertiedse hit van CCR, “Bad Moon Rising”. Mijn vrolijke ochtendversie luidt:
I see the Edmond a-rising
I see good times on the way
I see the sun is brightly shining
I feel happiness today
I go see the sunlight
Well I’m pleased to live my life
There’s an Edmond on the rise.
Dat ik daarna, zachtzingend en ruimschoots herhalend, hinkelend in mijn beide slippers slipper en bijna hakkentikkend de badkamer met een bezoek vereer, daarbij niet vergetend mijn stralende spiegelbeeld breedlachend aan te kijken, huppelt en staat natuurlijk binnen de badkamer buiten kijf. Kortom, opperste vrolijkheid is deze dag de breed- en vérstralende verlichting in de porseleinkast.
Of zoiets…
