Het waren me een paar wittenoodsweken, de afgelopen weken. Heel Holland in last. Want de zachte sneeuw had met harde hand de macht overgenomen. Treinen, toch al bijna nooit echt op tijd, kwamen te laat of vertrokken gewoon niet. Bussen, ze reden wel, vaak niet. Auto’s belandden in de greppel, soms ondersteboven. Goh… je zou al haast naar je noodpakket gaan grijpen. Noodpakket? Waar heb ik dat ook alweer gelegd?
Hoe ging dat indertied? Toen het heel vaak meer dan 15 graden vroor, de sneeuw, veel vaker dan nu, meer dan een halve meter hoog lag? De ‘Riekswèèg’, indertied toch de slagader richting Valkenburg en Maastricht, totaal niet meer zichtbaar. En toch reden er bussen, zorgde ‘de Zieb’ dat de Cauberg van onder tot boven vrij was. En wij braafjes, maar heftig voetjes trappelend, want k-k-koud bij de bushalte voor de kerk op de te late bus stonden te wachten, wetende dat die bus toch kwam. Die bus, van De Valk, dan over- en overvol, want de normaal fietsende schoolgangers zaten, stonden of hingen nu ook in die bus. Het was hutjemutje op elkaar gepakt. Het gebod in de bus ‘Voor den streep geen staanplaats’ werd letterlijk met besneeuwde voeten getreden want zij die voor den streep stonden, zaten bijna bij de buschauffeur op schoot, zó vol was of waren die bus(sen).
Ja, oké, je kwam een half uur te laat op school, maar de onderwijzer of leraar had daar alle begrip voor. Hijzelf was ook net binnen. Volgens mij zijn we watjes geworden, gepamperd door mensen van organisaties en would be-deskundigen van instellingen die denken het beste met ons voor te hebben, alleen… wordt ons of de jeugd nog iets gevraagd? Neen! De hardheid die ons door onze ouders indertied werd geleerd, toch een soort van zelfredzaamheid, bestaat niet meer. We verwerden tot watjes, zachter dan de zachtste sneeuw.
We kwamen vroeger na een middag sleeën, als menselijke ijspegeltjes thuis. De bevroren broek kraakte, de wanten waren onbuigzaam geworden en aan onze vuurrode neuzen hingen bevroren ijskristalletjes. Thuis ging je dan in een warm bad of – indien niet voorhanden – in een zinken teil gevuld met water dat in een grote ketel verwarmd was op het gloeiende fornuis in de keuken. En na de reinigende ontdooiing, gehesen in een warme wollen pyjama, voorzien van een kroes warme chocomel en in de hand een boekje van Pinkeltje of Wipneus en Pim.
Kom daar tegenwoordig nog eens voor… De jeugd kent de hardheid van vroeger niet meer, laat staan Pinkeltje of Wipneus en Pim.

Één reactie op “Indertied”
Ja, het waren soms bittere tijden en tijden veranderen. Zo hebben ze om je te kunnen verplaatsen in de sneeuw o.a. winterbanden uitgevonden. Maar ja, als je dan toch, eigenwijs zoals zo velen zijn, je probeert voort te bewegen op zomerbandjes dan kan het voorkomen dat de Rasberg ineens stilstaat door deze onverlaten en het verkeer helemaal stil zetten. Dan bof je als er geen verkeer de berg afdaalt en met je winterbandjes de rij kunt verlaten en de stomverbaasde blikken doet verbleken om rustig de berg opwaarts te kunnen rijden om je weldra lekker bij de kachel te kunnen warmen met een kop warme chocolademelk.