Ik wandelde afgelopen week.
Op een winterfrisse doordeweekse dag.
Vlak voor de afgelopen donderdag.
Door een grote supermarkt.
In een niet al te groot stadje.
Onderaan de Rasberg.
Ik zag hordes mensen.
Sjokkend en sjouwend als ezels.
Stouwend gulzig hun auto vol.
In het innerlijke.
Van datzelfde stadje.
Een idems beeld van mensen.
Alleen met andere tassen.
Maar ook randvol.
Met ander spul.
Variërend van blingbling tot ruikruik.
Maar duurduur.
Ik zag eetschuren.
Afgeladen en overvol.
Met wachtrijen.
Van lang tot héél lang.
Het is. En blijft. Een festijn.
Van een door de mens bedachte activiteit.
Vraag mij als ongelovige af.
Zou hij zich omdraaien in zijn graf?
Hij. De jezus aller jezussen.
En realiseer me meteen.
Dat dat omdraaien niet gaat lukken.
Misschien had hij hem lang geleden al.
Die ver vooruitziende blik.
En begreep hij.
Dat ook na bijna tweeduizend jaar.
Hij in dat graf geen rust zou vinden.
En zich daarom toen al.
Lang geleden.
Op een donderdag.
Schielijk die weg omhoog heeft gezocht.
Naar ver.
Heel ver weg.
Weg!
Van alle koop- en schranslust vandaan.
