Ik reik naar de glazen waterkoker op het aanrecht wanneer die – middels een toch wel ferme klik – aangeeft dat het zich in de koker bevindende water, het ultieme kookpunt heeft bereikt. Het bij de opwarming behorende blauwe licht dooft gelijk met de klik en de bubbels verworden tot een egaal oppervlak terwijl de bellen in het water verdwijnen. Tijd voor het vullen van mijn XXL-mok die bestemd is voor mijn dagelijkse portie thee.
Terwijl ik de mok vul met het warme water dwalen mijn gedachten – oh, hoe verrassend – weer eens af. Naar toen, naar indertied. Toen zich op de keukenkachel, de cuisinière, een sobere, grijze ketel bevond. Met op de täötel de fluit. Die ketel, hier en daar voorzien van een fikse deuk, een blötsj. Daaraan kon je zien hoe vaak en/of intensief de fluitketel gebruikt was of werd.
Soms verlang ik, puur uit nostalgie, naar dat hese gefluit dat pas stopte wanneer de fluitende dop, de ‘fluit’ door de stoom van zijn plek geblazen werd of een haastige, handmatige handeling – vaak gepaard gaande met een luide vloek – want best wel (best wel?) warm die fluit.
Ja lezer, het klopt, de dop van de fluit was dan wel niet warm, wel de opgewekte stoom van fornuis of kachel die door de gaten in de fluit naar buiten werd gestuwd.
Je ziet, of althans, ik zie ze niet meer. Die ouderwetse, volgens mijn vrouw gezellige, fluitende ketels. Het zijn de meest extravagante waterkokers die de keuken domineren, alsof die kokers de prinsen of prinsessen van de keuken, of minstens van het aanrecht, zijn. De fluitketel, weg gemoderniseerd door de hedendaagse waterkokende keukenkok, de menselijke waterkoker die niets opheeft met nostalgie.
De mok is gevuld, het theezakje zakt en ik realiseer me dat, mocht ik hem ooit nog eens willen aanschaffen, ik wel kan fluiten naar die ouderwetse, maar zo gezellige grijze, fluitende ketel…
