Categorieën
Column

Bankontmoeting (4)

Oplettend luisterend luister ik naar het buitenste dorpse buitenleven. Op een bankje. Net langs de wegrand. Daar arriveert een fietser. Of er nog plaats is op mijn bank? Zeker! Ik schuif een bats op. En hij neemt plaats en begint te vertellen. Hij herinnert het zich nog goed, ook al is het alweer jaren geleden. Toen hij met zijn vriendje op salamanderjacht ging. In de poelen op het stort, achter en onder ons. Hier aan de Langen Akker. Poelen die indertied nog leven herbergden. Salamanders, kikkers, libellen, juffers.

Hij stond toen aan de rand van de poel. Met een stok roerend in de alg. Zijn vriend, gestoken in meegebrachte laarzen, ietwat verder, in de poel. Een emmer bij en een netje in de hand. Zoekend en speurend naar jonge salamandertjes die zich ophielden in die grote plas water. Met regelmaat werden er diertjes uit hun natte domein gehaald en gedropt in de emmer. Totdat het er – in hun nog jonge ogen – genoeg waren. Of omdat de vangverveling toesloeg. Dat weet hij niet meer. In ieder geval werd hun onderzoeksgebied uitgebreid tot de hele vuilnisstortplaats. Zijn vriend ruilde zijn laarzen in voor zijn gewone schoeisel en hij exploreerde driftig mee. Totdat…

Ja, hij vond een doosje lucifers. Toen werd het interessant. En verderop lag een autoband. Nog interessanter. Een autoband en meerdere lucifers verder, brandde de band. En enkele minuten later ook de droge troep rond die band. Oeps, dat vuurtje werd wel heel snel groot. En de grijze wolkjes werden wel heel snel grote zwarte wolken. Het stort brandde opeens!

Goede raad duur. Weg! Weg van die vlammen, snel weg van dat vuur! Langs iets dat op een paadje leek, omhoog. En via de kortste weg, onder prikkeldraad door, door weilanden en over een veld, huiswaarts. En ver weg van het vuur, om de hoek van de straat, hoorden zij de sirene. De sirene van de brandweerauto. Een stiekeme blik om de hoek, door de straat. Zij zagen de brandweerauto zich gillend richting stortplaats spoeden.

Met kloppende harten namen zij afscheid van elkaar. Hopende dat niemand hen gezien had. Op hun vlucht voor de vlammen en de zwarte wolken. En hij beleefde een onrustige avond. Verwachtte ieder moment dat de politie aan de deur zou staan. Wat dus niet het geval was.

Een dag later ontmoetten zij elkaar weer. Opgelucht dat blijkbaar niemand hun gezien had. Het vriendje vertelde terloops dat hij ’s avonds stiekem toch nog teruggekeerd was naar de plek des onheils. Toen de brand geblust was. Waarom? Om de emmer, het netje en vooral de laarzen op te halen…

Door Edmond Ackermans

Edmond Ackermans